De lezingen van Allerheiligen staan in schril contrast met het Halloween-gebeuren (dat – helaas – steeds meer gevierd wordt in onze contreien): het zijn werkelijk troostliederen. Halloween betekent letterlijk “aan de vooravond van Allerheiligen” en is een dodenherdenking die het accent legt op griezel en bang maken. Het hoogfeest van Allerheiligen benadrukt de nagedachtenis van alle heiligen in de geloofsovertuiging dat die overledenen verder leven in het hiernamaals. De grote menigte die uit de verdrukking komt zingt een loflied voor God en voor het Lam. In de hemel alleen witte gewaden, geen rood van het bloedvergieten, geen zwart van de rouw, alleen wit als teken van hoop.

Wij nodigen u uit om uw abonnement op KERK&leven te hernieuwen of om nieuwe abonnent te worden.

Er zijn meerdere redenen om dit te doen.

Volgend weekend is er op zaterdag 31 oktober om 16 uur een woorddienst met uitreiking van de communie. De voorganger is gebedsleidster Hilda Coenen.

Op zondag 1 november vieren we het feest van Allerheiligen. De bisschoppelijke conferentie van België heeft gevraagd om op die dag een eucharistieviering te houden ter gedachtenis van de slachtoffers die overleden zijn aan de gevolgen van COVID-19. Deze viering wordt voorgegaan door parochievicaris Jef Smits.

In Mt 22, 37-39 geeft Jezus een geniaal antwoord op de listige vraag naar het voornaamste gebod. De Joden zouden uiteindelijk 613 geboden (248 geboden en 365 verboden) distilleren uit hun Thora: veel Joden zagen door de bomen het bos niet meer. Het is een beetje zoals de coronamaatregelen: ze worden zo vaak bijgesteld en zijn zo complex dat veel burgers het overzicht niet kunnen bewaren. Jezus’ antwoord aan het adres van de wetgeleerde is geniaal te noemen, omdat Jezus niets uitvindt of verzint: Hij combineert de verticale liefde tot God (Dt 6, 5) met de horizontale liefde tot de medemens (Lev. 19, 18b). Dit is geniaal in vele opzichten.

De scheiding van kerk en staat lijkt voor ons een verworvenheid sinds de Franse Revolutie (1789), de Verlichting (XVIIIe eeuw), maar toch is ze niet zo evident: in België werd ze impliciet ingeschreven in de Belgische Grondwet van 1831, maar toch betaalt de Staat nog steeds het onderhoud van de gebedshuizen en de wedde van de bedienaren van de erkende erediensten. In het Verenigd-Koninkrijk staat de Queen aan het hoofd van de Anglicaanse Kerk; in Nederland staat er op de rand van de muntstukken van 2 Euro “God zij met ons”. In Saoedi-Arabië en in Iran hebben de geestelijken de politieke macht in handen en geldt er een streng islamitische en dus religieuze wetgeving. In Israël hebben de rabbijnen nog steeds een belangrijke politieke macht; een burgerlijk huwelijk bestaat niet eens!

De gelijkenis van een koninklijk bruiloftsfeest doet denken aan het bekende toneelstuk van Federico García Lorca van 1933: normaal is een bruiloftsfeest een vreugdevolle gebeurtenis, maar bij Lorca loopt de bruid weg en in de parabel van Jezus is er sprake van “onwillige genodigden”. We vatten de parabel samen en geven meteen de leessleutels.


De gedachtenisviering voor de overledenen van Koninklijk Cobesko vindt plaats in onze Sint-Joriskerk op zondag 11 oktober om 11.15. De voorganger is E.H. Hugo Dierick. De viering wordt muzikaal opgeluisterd door Annelies Focquaert (orgel) en Hans Cammaert (viool).

Ziehier de lijst van de overledenen:

Het missaal spreekt nog van de “parabel van de moorddadige wijnbouwers” (WV 1975 “de misdadige wijnbouwers”), maar de Willibrordvertaling van 1995 houdt het bij de “gelijkenis van de vruchten”.

Korte samenvatting van de parabel: een landeigenaar woont in het buitenland, stuurt dienaren en tenslotte zijn eigen zoon om de opbrengst van de wijngaard te innen, maar ze worden allemaal vermoord door de wijnbouwers. Religieuze betekenis van de parabel: God woont in de hemel, stuurt profeten en tenslotte Zijn Zoon naar Israël, maar ze worden allemaal vermoord door de Joden. De landeigenaar (God) veronderstelde dat de wijnbouwers de Zoon “wel zouden ontzien”, maar de wijnbouwers dachten er anders over: misschien was de landeigenaar dood en kwam de zoon zijn erfenis opstrijken. Op religieus vlak: na al die verworpen profeten, wilde God nog één keer proberen om Zijn uitverkoren volk tot inkeer en tot volle bloei te laten komen. Dankzij de eerste lezing (Js 5, 1-7), het zogenaamde lied van de wijngaard, weten we met zekerheid dat Israël dé wijngaard is.
Wat maakt deze parabel zo gevaarlijk?

De gelijkenis van een vader met twee zonen lijkt simpel, maar vraagt wat uitleg en wat context. Jezus vertelt deze gelijkenis ten behoeve van de vertegenwoordigers van het Sanhedrin, die vragen hadden bij Jezus’ bevoegdheid. De ene zoon lijkt beleefd en plichtbewust, maar het blijft beperkt tot uiterlijke schijn. De andere zoon is aanvankelijk wat eigenzinnig, maar krijgt spijt, verandert van inzicht en komt tot inkeer. De attitude van de eerste zoon doet wat denken aan de vrome woorden van Ex. 24, 7: “Alles wat Jahwe zegt zullen wij doen en ter harte nemen”. Jezus waarschuwt tegen uiterlijke schijn en loze, vrome woorden. Vooral in de scheldrede tegen de Farizeeën (Mt 23) gaat Jezus hier dieper op in: “zelf handelen ze niet naar hun woorden”. Jezus gebruikt zware scheldwoorden die we misschien niet verwachten uit Zijn mond: huichelaars, blinde leiders, dwazen en blinden, gekalkte graven, slangen, adderengebroed,…

De parabel “Arbeiders van het elfde uur” is een antwoord op een vraag van Petrus: “Wat zullen wij dus krijgen?”. Een parabel of een gelijkenis is een verhaaltje uit het dagelijkse leven gegrepen om een religieus idee te illustreren. Jezus vertelt het herkenbare verhaal van een landeigenaar (= God) die arbeiders (= gelovigen) zoekt voor een intensieve werkdag van 12 uur tijdens de druivenpluk eind september. De landeigenaar gaat 5 maal op zoek naar arbeiders: om 5u ‘s morgens, om 8u, om 11u, om 14.00u en tenslotte om 16.00u. Het dagloon wordt vastgesteld op 1 denarie (laat ons zeggen 50 Euro). Op het einde van de lange werkdag krijgen alle arbeiders 1 denarie (50 Euro). De arbeiders van het eerste uur (die gewerkt hebben van 5u tot 17.00u) zijn verbolgen dat de arbeiders van het elfde uur (die slechts één uur gewerkt hebben, namelijk van 16.00u tot 17.00u) evenveel krijgen. Zo’n dagloon was zo’n beetje het bestaansminimum: een lam kostte bijvoorbeeld 4 denariën. Als de landeigenaar aan de arbeiders van het elfde uur slechts een uurloon had uitgekeerd, dan zouden ze een slordige 4 Euro hebben gekregen (en dan zouden ze 50 dagen hebben moeten werken om 1 lam te kopen). Het is duidelijk dat de landeigenaar wil dat iedereen het goed heeft en vooral, da t niemand in de armoede verzeild raakt. Tot zover de parabel…

Geen feed gevonden