We kennen de James Bond-film “You Only Live Twice” (1967), waar de schurk dacht dat hij James Bond al eerder had geëlimineerd en we kennen het verhaal van Lazarus, die door Jezus opgewekt wordt uit de dood om een tijdje later geëlimineerd te worden. Lazarus heeft dus 2 keer geleefd en is 2 keer gestorven, de eerste keer door ziekte, de tweede keer door moord.

Het Johannes-evangelie is in alle opzichten en in alle betekenissen een heel apart evangelie (misschien is het daarom dat er geen D-jaar is dat gewijd zou zijn aan het Johannes-evangelie). Uiteraard lezen we in de Katholieke Kerk vaak en graag in het Johannes-evangelie. De structuur is zo apart: zo zijn er 7 “ik ben”-uitspraken die gelinkt zijn aan 7 (wonder)tekenen. Een voorbeeld: als we het eerste wonderteken (het veranderen van water in wijn) koppelen aan de eerste “ik ben”-uitspraak (“Ik ben het brood des levens”), krijgen we vooralsnog een instelling van de eucharistie (“Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven” – Joh 6, 54). En dan zit er nog een structuur in de wondertekenen: 3 genezingsverhalen (met als climax de genezing van de blindgeborene), 3 mirakels die bewijzen dat Jezus macht had over de natuurelementen (met als climax dat Jezus over het water loopt) en 1 opwekkingsverhaal, namelijk de opwekking van Lazarus (Joh 11).

We staan vandaag stil bij dat zevende teken dat we wellicht al te vaak verkeerd begrepen hebben. Inderdaad, wellicht gaat het niet om de spectaculaire opwekking van Lazarus, want hij zou iets later toch sterven (Lazarus wordt “ad interim” teruggebracht naar het aardse leven, hij heeft het eeuwige leven nog niet verworven); het opwekkingsverhaal is bedoeld om Gods almacht aan te tonen in de persoon van Jezus. Uiteindelijk wil Jezus laten zien dat Hij door God gezonden werd (v. 42). De geloofsbelijdenis dat Jezus de Messias en de Zoon van God is komt uit onverwachte hoek: namelijk van Marta (en niet van Petrus, zoals in Mt 16, 16).

Vrouwen spelen een opvallende rol in het Johannes-evangelie en speelden ongetwijfeld een belangrijke rol in de kring van Johannes of zelfs alle vroege huiskerken. Normaal gezien gaf een Rabbi geen les aan vrouwen en toch noemt Marta hem “Meester” (v. 28). “De hogepriesters en Farizeeën” (v. 47) slaan de bal mis, begrijpen niets van al wat er gebeurt, ze zijn er enkel en alleen op uit Jezus te laten arresteren tijdens het Paasfeest (v. 57). Zelfs de apostel Tomas (de latere ongelovige Tomas) begrijpt niets van Gods heilsplan, wanneer Jezus besluit Zijn schuilplaats, Perea, te verlaten om Zich terug te trekken in Betanië, een voorstadje op 3 kilometer van Jeruzalem, Jezus’ eindbestemming. Tomas is echt pessimist tot in de kist. In de tijd van Jezus was het heel normaal dat vrouwen huilden tijdens een begrafenis en de rouwtijd (er werden zelfs vrouwen ingehuurd om te huilen!), maar het was hoogst ongewoon en ongepast dat een man huilde. Jezus had blijkbaar zoveel empathie en zoveel sympathie voor deze vrouwen dat Hij spontaan “diep ontroerd” ook begon te huilen (v. 33.35). Vers 35 is het kortste vers van het Nieuwe Testament: “Jezus begon te wenen”. In tegenstelling tot de professionele klaagvrouwen, liet Jezus Zijn tranen de vrije loop uit oprecht verdriet. Bovendien was Jezus verbolgen over zoveel tranen en rouw vanwege de dood; Hij keek al uit naar de nieuwe wereld, waarin “Hij [God] alle tranen van hun ogen [zal] afwissen, en de dood zal niet meer zijn; geen rouw, geen geween, geen smart zal er zijn, want al het oude is voorbij” (Apk 21, 4). Jezus identificeerde Zich als het ware met Marta (waarschijnlijk de oudste zuster) en Maria: “Jezus hield veel van Marta, haar zuster en Lazarus” (v. 5). “Ladies first” in vers 5, opvallend detail! Een ander opvallend detail is dat Marta een persoonlijke, privé, ontmoeting wil met Jezus (v. 20).

Bij het graf wordt Jezus boos door de vijandige houding van enkele Joden (v. 38). De aanwezigen verwijten Jezus dat Hij te laat was aangekomen: Hij had Zijn vriend Lazarus toch kunnen genezen? Het is moeilijk te zeggen of Jezus opzettelijk te laat is gekomen om van een genezingsverhaal een opwekkingsverhaal te maken. Met dit zevende teken doet Jezus nog veel beter dan met de jongeling te Naïn en het dochtertje van Jaïrus, die allebei nog maar net overleden waren. Lazarus was al 4 dagen dood: in het Joodse volksgeloof kon de ziel zich niet meer verenigen met het lichaam, omdat het lichaam onherkenbaar was geworden voor de ziel. Marta waarschuwt Jezus voor een penetrante lijklucht, maar de Heer laat Zich niet afschrikken door de zintuiglijke waarnemingen; integendeel, Hij keek niet naar de huiveringwekkende duisternis van het familiegraf in de rots, Hij “sloeg de ogen ten hemel” (v. 41). De eigenlijke opwekking gebeurt bliksemsnel, Jezus doet niets en spreekt slechts 2 bijwoorden uit: “hierheen, naar buiten” (zo staat het er letterlijk in het Grieks). Alsof doden zouden kunnen horen… Het doet denken aan de dorre beenderen die God weer tot leven brengt (Ez 37), ja zelfs aan het Scheppingsverhaal: << 'Er moet licht zijn!' En er was licht.>> (Gn 1, 3). Dat allemaal met de kracht van de stem die de zware storm tot bedaren bracht.

Toch is de opwekking zelf bijkomstig (Lazarus moet trouwens snel weggaan – v. 44); het grotere plaatje is het aanschouwen van Gods heerlijkheid. De crux is niet Jezus als wonderdoener, maar wel Jezus als Messias: “Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.” Deze geloofsbelijdenis van Marta is hét hoogtepunt van heel het opwekkingsverhaal. Als vrouw begrijpt Marta beter dan de Joodse leiders dat de Messias geen politieke/militaire leider zou zijn die in verzet tegen de Romeinse bezetters zou komen. Marta (en met haar de meeste Farizeeën) geloofde wel in een opstanding in de toekomst, aan het einde van de wereldgeschiedenis, maar Jezus legt het accent op het ware leven hier en nu. Jezus is het brood des levens, het levende water (Joh 4, 10), ja zelfs het leven zelf. Zijn opstanding heeft de weg vrijgemaakt voor het echte leven. Het 7de teken kadert de 5de “ik ben”-uitspraak: “Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven.” (v. 25-26)

De evangelist Johannes zet eerst “verrijzenis”, dan “leven”. Het teken van de opwekking van Lazarus moet ons verrijzenisgeloof versterken en ons klaarstomen voor de doodsangst in de tuin van Getsemane, voor het lijdensverhaal, de Kruisweg en het Paasgebeuren. Alleen dit rotsvaste geloof verklaart Fil. 1, 21: “Want voor mij is leven Christus en sterven winst.”
Waar komt het voor ons op aan? Alle levenden moeten tijdig genezing zoeken bij Jezus voordat ze geestelijk/spiritueel dood zijn. De opwekking van Lazarus is eerst en vooral een verhaal van dankzegging ten opzichte van God, van gebedsverhoring via de enige, geijkte weg, dat wil zeggen via Jezus: “wat gij de Vader ook zult vragen, Hij zal het u geven in mijn Naam.” (Joh 16, 23)

Lazarus (Eleazar) betekent immers: “God helpt”. Dat is ons uitgangspunt… Weg met de zwachtels en het zweetdoek van de dood!

Bernard

Geen feed gevonden