De luiken van het Paasoctaaf gaan dicht (Beloken Pasen – tweede Paaszondag), maar de lezingen belichten een ontloken geloof, namelijk dat van Tomas (in de Orthodoxe Kerk spreekt men van Thomaszondag). Inderdaad, wanneer we heel het hoofdstuk 20 lezen, dan blijkt dat Maria Magdalena, die het privilege krijgt als eerste de Verrezen Heer te ontmoeten, alleen “Rabboeni” prevelt; dat de 10 (?) apostelen alleen “vervuld van vreugde” (v. 20) waren en dat ze nadien rapporteerden: “Wij hebben de Heer gezien.” (v. 25).

Het is Tomas die eerst de vinger op de wonde legt (letterlijk – denk aan het schilderij van Caravaggio – en figuurlijk) en die uiteindelijk de ultieme consequenties trekt uit de verschijningen: “Mijn Heer en mijn God!” (v. 28). Deze uitroep van Tomas heeft massa’s inkt laten vloeien. Feit is dat het de enige keer is in heel het Evangelie dat Jezus rechtstreeks wordt aangesproken met de titel “God”. De andere mogelijkheid is dat de geloofsbelijdenis van Tomas een uitroep van verbazing uitdrukt (een beetje in de stijl van “Oh my God!”, zoals de jongeren tegenwoordig graag zeggen). Beide interpretaties zijn mogelijk. De christologie van het Johannes-evangelie is sowieso bijzonder verheven: “In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God.” (Joh. 1, 1)

Dezelfde evangelist schrijft echter: “de Vader is groter dan Ik [Jezus]” (Joh. 14, 28). We kunnen deze eeuwenlange discussie als volgt samenvatten: de meeste christenen (uitgezonderd de vroegere Arianen, unitaristen, Getuigen van Jehovah,…) zien in de uitroep van Tomas de definitieve bekroning van de Heilige Drievuldigheid.

Wat zegt dit overbekende verhaal ons in de 21ste eeuw? Er zijn minstens 2 gelijkenissen. Ten eerste, de vijandigheid van de buitenwereld ten aanzien van de christenen: de apostelen leefden ondergedoken “uit vrees voor de Joden” (v. 19, lees “de Joodse leiders”); momenteel worden er 245 miljoen christenen vervolgd, wereldwijd. Ten tweede, de wetenschappelijke benadering van Tomas, die tastbare bewijzen wil zien in plaats van hersenschimmen, is natuurlijk onze benadering sinds de Verlichting van de 18de eeuw. Jezus denkt al aan de honderden generaties christenen die Hem nooit “live” gezien hebben: “Zalig die niet gezien en toch geloofd hebben.” (v. 29). Het zijn dingen die we nooit zullen weten, maar het is best mogelijk dat Tomas alle hoop al had opgegeven en dat hij daarom afwezig was bij de eerste verschijning aan de apostelen (waarschijnlijk waren dat er 10; in het volgende hoofdstuk zijn het er weer slechts 7). De schrijver van de Hebreeën-brief (11, 1) zegt het als volgt: “Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen.”

Gelukkig kent en begrijpt de Heer ons geringe geloof. In feite beantwoordt Hij nu de vraag die Tomas in onze plaats had gesteld: “Heer, wij weten niet waar Gij heengaat: hoe moeten wij dan de weg kennen?” (Joh. 14, 5)

Nooit mogen wij het sublieme antwoord van Jezus vergeten: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand komt tot de Vader tenzij door Mij.” (Joh. 14, 6).

Dit brengt ons bij de voorlaatste benaming voor de tweede Paaszondag: Quasimodo-zondag. “Quasi modo” betekent “zoals” en is de aanhef van 1 Petrus 2, 2: “als pasgeboren kinderen” moeten wij het geloof aannemen. Het populaire fictieve personage van Victor Hugo (1831) dankt zijn naam aan het feit dat hij te vondeling werd gelegd op Quasimodo-zondag. De laatste benaming is: “Zondag van de Goddelijke Barmhartigheid” (paus Johannes Paulus II, 2000). Dit kunnen we beamen met de woorden van 1 Petrus 2, 10: gij, vroeger geen volk, nu Gods volk; “vroeger van genade verstoken, nu begenadigd”. Johannes (1 Joh. 1, 4) mag dit artikel afronden: “En wij schrijven dit om ons aller vreugde volkomen te maken.”

Bernard

Geen feed gevonden