Het is niet zomaar dat we het feest van de Heilige Drieëenheid vieren één week na Pinksteren: we hebben de Heilige Geest absoluut nodig om dit ingewikkelde dogma uit 325 en 451 te begrijpen. Het christendom is monotheïstisch, maar de Ene God bestaat uit 3 personen (God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest). Bovendien is Jezus 100% God én 100% mens. De lezingen behoren tot de mooiste stukken van de Bijbel. Kortom, het is driedubbel feest dit weekend.

De eerste lezing (Ex. 34, 4b-6.8-9) toont aan dat de barmhartigheid van de God van het Oude Testament honderden malen Zijn gestrengheid overstijgt.

De tweede lezing (2 Kor. 13, 11-13) bevat de bekende begroeting zoals een priester die uitspreekt bij het begin van iedere eucharistie: “De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u allen.”

De “liefde van God”, komt uit de 1ste lezing. “Jahwe is een barmhartige en medelijdende God, lankmoedig, groot in liefde en trouw”. (Ex. 34, 6)

“De genade van de Heer Jezus Christus” komt uit Joh 1, 16-17: “Van zijn volheid hebben wij allen ontvangen: genade op genade. Werd de Wet door Mozes gegeven, de genade en de waarheid kwamen door Jezus Christus.”

De evangelielezing (Joh. 3, 16-18) omvat één van die prachtige verzen die veel christenen uit het hoofd kennen, vooral in het Engels “John 3:16”. In dit artikel staan we vooral stil bij v. 18 en plaatsen het in zijn context: “Wie in Hem gelooft, wordt niet geoordeeld, maar wie niet gelooft, is al veroordeeld, omdat hij niet heeft geloofd in de Naam van de eniggeboren zoon van God.”

“What's in a name?”, vraagt Juliet zich af. Het gaat er niet om hoe Romeo heet, maar om wie hij is. Welnu, in de Bijbelse wereld, is de naam van fundamenteel belang: de naam zegt namelijk iets over de persoon in kwestie. Vanuit een brandende struik openbaart God Zijn Naam aan Mozes: JHWH ('Ik ben die is.' – Ex. 3, 14). Er woedt al duizenden jaren discussie over de juiste uitspraak, betekenis en vertaling van de “vier letters”. Toen de Tempel er nog stond, mocht de Naam één keer per jaar worden uitgesproken door de hogepriester; sinds het verdwijnen van de Tempel is de uitspraak totaal verloren geraakt… Wat er ook van zij, de Joden hebben zoveel respect of vrees voor de Naam van de “vier letters” (JHWH) dat ze die Naam nooit uitspreken. Het derde gebod (in de katholieke traditie het 2de) luidt immers: “Gij zult de naam van Jahwe uw God niet lichtvaardig gebruiken” (Ex. 20, 7).
De Joden gebruiken nu graag de naam HaShem, wat wil zeggen… de Naam (Adonai is formeler). Godzijdank wordt in het Hebreeuws “Baruch HaShem”, letterlijk “gezegend zij de Naam”.

Het valt op dat in Joh. 3, 18 “de Naam” met hoofdletter geschreven staat (althans in de vertrouwde Willibrord-vertaling, niet meer in de NBV). Het lijdt geen twijfel dat de meest theologische evangelist, als rasechte Jood, heel de problematiek van “de Naam” bijzonder goed kende. We mogen ook niet vergeten dat deze verzen de bekroning zijn van het nachtelijke gesprek met Nikodémus, één van de meest vooraanstaande Farizeeën. Nikodémus had niets begrepen van het wedergeboren worden “uit water en geest”, over het omhoog heffen van de Mensenzoon (aan het Kruis) en het geloven in diezelfde Mensenzoon/”eniggeboren Zoon” van God, als conditio sine qua non om het eeuwig leven te verwerven. We weten niet hoe Nikodémus reageerde en met welke ingesteldheid hij Jezus verliet, maar we mogen gerust veronderstellen dat heel het discours van Jezus onverteerbaar was: een Rabbi, een leraar, een wonderdoener, ja, tot daar toe, maar Jezus als Messias/Lijdende Dienaar, Redder, Verlosser, Enige Bemiddelaar, dat ging ongetwijfeld veel te ver voor Nikodémus. Moeten geloven “in de Naam van de eniggeboren zoon van God” was vast en zeker de spreekwoordelijke druppel. In v. 19 valt in het Grieks het woord “krisis”: het geloven in Jezus als de Zoon van God wordt doorslaggevend (kritisch in die zin dat het een crisis, een breuk teweegbrengt tussen Joden die binnen het Jodendom blijven en Joden die niet binnen het Jodendom blijven en die weldra “christenen” zullen genoemd worden: “Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd” – Hnd 11, 26). In 3 verzen valt 4 maal het Griekse woord “kosmos”: Jezus’ reddend offer heeft universele reikwijdte en beperkt zich geenszins tot de Joden. Nikodémus beschouwde Jezus waarschijnlijk als een interessante Rabbi die de heidenen of andersgelovigen moest en zou veroordelen. Jezus stelt met klem dat Hij niet door God gezonden werd “om de wereld te oordelen”, maar om zoveel mogelijk mensen te redden. Ja, God heeft de wereld lief, ja, God heeft Zijn Zoon prijsgegeven aan de Kruisdood, maar men moet in Zijn Zoon geloven, dat is een absolute must.

“Bij niemand anders is dan ook de redding te vinden en geen andere Naam onder de hemel is aan de mensen gegeven waarin wij gered moeten worden.” (Hnd 4, 12)
Ook hier zien we de “Naam” met hoofdletter verschijnen. De Naam “Jezus”/Joshua was profetisch en door God ingegeven, opgelegd: Jezus = “God redt”. Lucas 1, 35 zegt het zo: “De heilige Geest zal over u komen en de kracht van de Allerhoogste zal u overschaduwen; daarom ook zal wat ter wereld wordt gebracht heilig genoemd worden, Zoon van God”. Mattheüs 1, 20-21 vervolledigt met een visioen van Jozef, de stiefvader: “het kind in haar schoot is van de heilige Geest. Zij zal een zoon ter wereld brengen die gij Jezus moet noemen, want Hij zal zijn volk redden uit hun zonden”.

Sterker nog: Jezus zal Zelf het Laatste Oordeel uitspreken (“Wanneer de Mensenzoon komt in zijn heerlijkheid en vergezeld van alle engelen, dan zal Hij plaats nemen op zijn troon van glorie.” – Mt 25, 31)! Zouden wij mogen zeggen dat de Zoon van God een volmacht heeft gekregen om het Laatste Oordeel over ons uit te spreken omdat Hij “onder ons [heeft] gewoond” (Joh. 1, 14) en dat dus in zekere zin beter kan? Zouden wij mogen zeggen dat God om die reden Zijn Zoon “in het leven” (Ps 2, 7) heeft geroepen “vanaf het begin, voordat de aarde ontstond” (Spr. 8, 22-23)? In het eucharistisch gebed zeggen wij: “Door Hem, en met Hem en in Hem zal uw Naam geprezen zijn, Heer onze God, almachtige Vader, in de eenheid van de Heilige Geest, hier en nu en tot in eeuwigheid”. Feit is dat Jezus alles heeft << voorgeleefd>> om ons te laten zien hoe we in het leven moeten staan tegenover andere mensen. Bij de voetwassing zei Hij: “Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat gij zoudt doen zoals Ik u gedaan heb.” (Joh. 13, 15)

Voor zover wij Gods wegen kunnen doorgronden, ziet het heilsplan er misschien als volgt uit: God gaf eerst Zijn schriftelijke wetten aan een selecte groep mensen, in casu de Joden; vervolgens liet Hij Zijn Zoon ter wereld komen om alles met woord en daad voor te doen voor alle mensen; uiteindelijk zond Hij “de Helper, de heilige Geest (…) [om] alles in herinnering [te] brengen” wat Jezus geleerd en gezegd had (naar Joh. 14, 26). In de Latijnse versie van de begroeting aan het begin van een eucharistieviering staat er “communicatio Sancti Spiritus” in plaats van “de gemeenschap van de heilige Geest”. Dat is meteen de oneindig diepzinnige, mysterieuze betekenis van de Heilige Drievuldigheid.
Het bewijst hoe complex het leerstuk van de Heilige Drievuldigheid is: we prijzen de Naam van God de Vader, de Naam die we misschien niet kunnen of mogen uitspreken door middel van de Naam van Jezus, die we wel mogen uitspreken, naar hartenlust zelfs. Het is daarom dat wij altijd moeten bidden tot en vragen aan God de Vader in de Naam van Jezus, de Zoon (zie Joh. 14, 13-14). “Want God is één, één is ook de middelaar tussen God en de mensen, de mens Christus Jezus, die zichzelf gegeven heeft als losprijs voor allen” (1 Tim. 2, 5-6). Dan zweeft de Geest van God over de wateren en dan is er licht (naar Gn 1, 2-3)! Jezus is hét Licht van de wereld: “Wie [Hem] volgt, dwaalt niet rond in de duisternis, maar zal het licht van het leven bezitten.” (Joh. 8, 12)

Bernard

Geen feed gevonden