Het dogma van Maria-Tenhemelopneming werd afgekondigd door Pius XII in 1950. Het lag al op tafel tijdens het Eerste Vaticaans Concilie (1870), maar toch heeft de Katholieke Kerk nog 80 jaar gewacht met de officiële afkondiging. Nochtans lag het dogma in de lijn van het dogma van de onbevlekte ontvangenis (Pius IX, 1854): Maria is altijd “gevrijwaard van elke smet van de erfzonde” geweest, vanaf haar geboorte uit (Sint-) Anna. Dit dogma gaat terug op de begroeting van de engel Gabriël bij zijn boodschap aan Maria (Lc 1, 28): “Ave, gratia plena, Dominus tecum”, letterlijk vertaald “Gegroet, vol van genade, de Heer met jou”. De begroeting van de nicht Elisabet is al even betekenisvol: “Gij zijt gezegend onder de vrouwen” (Lc 1, 42). In het volgende vers valt de uitdrukking “de moeder van mijn Heer”.

Tijdens het Concilie van Efese (431) kreeg Maria de titel “Moeder van God” (Theotokos). Als feest werd Maria-Tenhemelopneming ingevoerd in Byzantium in 582 en in Rome in de 7de eeuw. De verering van Maria als heilige was begonnen… De Katechismus (1995, pag. 695) maakt een onderscheid tussen “verering” en “aanbidding”: “verering van Maria, geen aanbidding” (§ 971). De eerste lezing van de dag komt niet uit het Oude Testament, maar uit het laatste boek van de Bijbel, namelijk Apokalyps. We beginnen te lezen aan het einde van hoofdstuk 11: “Toen ging de tempel van God in de hemel open...”. En we gaan verder met hoofdstuk 12: “En er verscheen een groot teken aan de hemel: een vrouw, bekleed met de zon, de maan onder haar voeten en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren”. De vrouw wordt niet bij naam genoemd, maar vermits ze zwanger is, zien alle katholieken Maria in haar, temeer omdat “zij een kind baarde, een zoon, die alle volken zou weiden met een ijzeren staf”. Het lijkt moeilijk daar niet Jezus in te zien. De vrouw met een kroon werd logischerwijze een Koningin: vandaar Salve Regina. We hebben een Vader/Koning, we hebben een Moeder Gods/Koningin, we hebben een Zoon van God: sommige andersgelovigen denken dat dit de Heilige Drievuldigheid is.

Maria is niet alleen uitverkoren, apart gezet door God, zoals destijds het zogenaamde uitverkoren volk (Dt 7, 6), maar ook heel bereidwillig: “Zie de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord” (Lc 1, 38).
In het Magnificat horen we: “Hij verheft de geringen” (Lc 1, 52) en dat God “welwillend neerzag” “op de kleinheid zijner dienstmaagd” (Lc 1, 48).
Het is logisch dat God de draagmoeder van Zijn Zoon in gedachten hield, toen zij kwam te overlijden ergens tussen 36 en 50 n.Chr. in Jeruzalem of Efeze (in het huis van de maagd Maria).

Maria had eerst de blijde boodschap in haar hart ontvangen, dan pas in haar schoot: ook na Jezus’ Hemelvaart bleef Maria “eensgezind volharden in gebed”, samen met de apostelen, de broers van Jezus, de vrouwen (Hnd 1, 14). Last but not least, Maria kende geen Hemelvaart, zoals Elia of haar Zoon Jezus, in die zin dat ze niet uit eigen kracht naar de hemel opsteeg; ze werd door God ten hemel opgenomen.

Maria is de moeder van Christus; christenen zijn “het lichaam van Christus” (1 Kor. 12, 27); onrechtstreeks is Maria niet alleen de moeder van de Kerk, maar ons aller moeder. Het verband met Moederdag lijkt logisch (althans voor Katholieken), maar toch wordt Moederdag alleen in de regio Antwerpen op 15 augustus gevierd (overigens ook nog in Costa Rica – Día de las Madres).

Het verband met het evangelie van de 20ste zondag door het jaar (Mt 15, 21-28) lijkt minder evident, maar toch kunnen we een brugje maken: ook hier betoont de Kananeese vrouw een grenzeloos moederinstinct. Het is belangrijk te noteren dat de mensen uit die streek heel heidens en bijzonder afkerig t.o.v. Joden waren. Deze streek lag boven Galilea en zou nu Libanon genoemd worden. De nood van die vrouw moet heel hoog geweest zijn: “Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld” (v. 22). Wanneer de nood het hoogst is, is de redding nabij… Zonder aarzelen, “luid roepend”, treedt ze naar voren. Jezus schenkt haar totaal geen aandacht. Erger nog, de leerlingen willen dat Jezus haar wegstuurt. Het is aan de leerlingen dat Jezus Zijn afwijzende houding uitlegt: Hij is uitsluitend gekomen voor “de verloren schapen” van het Jodendom. De vrouw blijft aandringen, zij moet het gevoel hebben gehad dat alleen deze Joodse man haar kan helpen met haar bezeten dochter. Nu gaat Jezus wel in gesprek met haar en Zijn antwoord zou in 2020 als ronduit racistisch worden bestempeld: “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.”

Dit vers 22 behoeft wel wat uitleg: het brood is het hemelse manna, het levende brood, i.e. Jezus Zelf; de kinderen zijn de Joden; de kleine hondjes zijn de heidenen (de niet-Joden). Hertaald naar vandaag: eigen volk eerst, America first,…
De ultieme repliek van de Kananeese vrouw is zo geniaal dat zij door de heilige Geest moet zijn geïnspireerd: “Wel waar, Heer”, sprak zij, “want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.”

De uitleg van v. 27 is als volgt: in de tijd van Jezus at men met de vingers, men maakte de vingers schoon met brokstukken brood en men gooide die besmeurde stukken brood onder tafel, waar de honden ze mochten opeten. Jezus heeft de boodschap nu onmiddellijk begrepen, maar theologisch gezien is het ongelooflijk interessant om te zien hoe de Geest van God de Vader spreekt door de mond van een onbekende, heidense, buitenlandse vrouw. Jezus wou eerst voorrang geven aan Zijn eigen Joodse volk, maar de Geest corrigeert de Zoon en stuurt Hem naar boven de landsgrenzen van Idumea, Judea, Samaria en Galilea. We spreken toch al gauw van een 100-tal kilometer.

De conclusie is kort en duidelijk. Ook wij mogen niemand a priori uitsluiten en laten we daarbij het voorbeeld van Moeder Maria indachtig blijven: “Doet maar wat Hij u zeggen zal.” (Joh 2, 5)

Bernard

Geen feed gevonden