Op de 21ste zondag door het jaar (A-jaar) lezen we een passage die uitermate belangrijk is voor de Katholieke Kerk: Mt 16, 13-20 “de belijdenis van Petrus”. Het lijkt wel een eenvoudige, symmetrische, bijna romantische, uitwisseling van lofbetuigingen: 2 x “Gij zijt”.

Eerst identificeert Petrus Jezus als de Christus/de Messias. De term “Messias” was zeer zwaar geladen tegen het einde van de periode van het Oude Testament: de Messias werd gezien als een politieke, militaire leider of zelfs krijger, die het volk zou verlossen van alle mogelijke vijanden en die een koninkrijk van gerechtigheid zou installeren. Jezus beseft dat Zijn Messias-beeld als Lijdende Dienaar botste op het Joodse paradigma van de Messias: Jezus gebruikt de term “Messias” niet al te gauw en Hij voegt er onmiddellijk Zijn lijdensweg in de nabije toekomst aan toe. De leerlingen hadden dat laatste aspect nog niet helemaal begrepen: daarom krijgen ze zwijgplicht omtrent de belijdenis van Petrus. De grote vraag is natuurlijk wie Jezus voor ons is in 2020…

Daarna identificeert Jezus Petrus als de “steenrots”. In het Grieks is dit een leuke woordspeling: Petros betekent gewoonweg “grote steen, rots”. Met andere woorden: eerst kreeg Jezus een bijnaam (een titel), namelijk Christus, en dan krijgt Simon een bijnaam (een titel), namelijk “Petrus”. Jezus Christus – Simon Petrus. Het tweede zinsdeel van vers 18 heeft veel inkt laten vloeien: “op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen”. Er zijn grosso modo 3 mogelijkheden: “deze steenrots” = Jezus Zelf of de geloofsbelijdenis van Petrus of Petrus zelf. Zelfs studiebijbels uit onverdachte hoek moeten toegeven dat “deze steenrots” meer dan waarschijnlijk slaat op Petrus zelf. Anders heeft de woorspeling met Petrus/steenrots geen zin.

De bouwsymboliek samengevat: Jezus = de hoeksteen (sluitsteen), het fundament; Petrus = de eerste rotssteen, waarop alle andere stenen volgen (cf. 1 Pe 2, 5: “als levende stenen voegen in de bouw van de geestelijke tempel”). Dit vers is, zoals gezegd, essentieel voor de Katholieke Kerk, die stelt dat Petrus de eerste paus (“de eerste van de apostelen”) was en dat de bisschoppen “de opvolgers van de apostelen als herders van de Kerk” zijn (Katechismus van de Katholieke Kerk, 1995, § 862). Paus Franciscus is dus de 266ste opvolger van Petrus, wiens botten begraven liggen onder het altaar van de Sint-Pietersbasiliek. Latere kerkleiders moeten dus hun gezag erven van Petrus. In de zogenaamde pastorale brieven, meer bepaald 1 Tim. 3 en 2 Tim. 1, 6, is er sprake van “episkopos”, opzichters, later “bisschoppen” genoemd, die “onberispelijk” moeten zijn en die aangesteld worden door handoplegging. De Katholieke Kerk beschouwt zich met recht en reden als de enige, echte moederkerk.

Vers 19 is, zo mogelijk, nog belangrijker: Jezus geeft “de sleutels van het Rijk der hemelen” aan Petrus. Bij sleutels denken wij direct aan een deur (of een auto of een koffer), maar misschien is het eerder figuurlijk/symbolisch bedoeld, zoals in Apk 4, 1: “Ik [Johannes] zag een deur in de hemel die open stond”. Bij een sleuteloverdracht denken we spontaan aan een overdragen van macht of zelfs een volmacht om Gods vrede aan te bieden, het stof van de voeten af te schudden, al of niet vergeven van de schulden, iemand vrij spreken of schuldig verklaren,… De sleutels staan misschien symbool voor tucht, wetgeving, administratie of de gave om mensen naar het Koninkrijk uit te nodigen en te begeleiden. In Hnd 2, 14 is het duidelijk dat Petrus naar voren treedt als leider; in Hnd 10, 34 e.v. komt Petrus tot het besef dat hij het Koninkrijk moet openstellen voor “allen” (dus niet alleen voor “de zonen van Israël”). In het verhaal van Ananías en Saffira (Hnd 5, 3.9) leidt de macht van Petrus als het ware tot de doodstraf van beiden.

Tot slot, nog een opmerking over het woord “Kerk” dat Mattheüs als enige evangelist gebruikt. In de Brief aan de Efesiërs staat te lezen dat de heidenen ook in de Kerk kunnen ingelijfd worden, de Kerk “gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl de sluitsteen Christus Jezus zelf is, die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt” (Ef. 2, 20).

Paulus openbaart ons een geheim in Rom. 11, 25 e.v.: dankzij de “verharding” van een (groot) deel van Israël, dat wil zeggen de vijandigheid “tegenover het evangelie”, zijn de “heidenvolken” binnengetreden. Paulus besluit dat hoofdstuk 11 met gevleugelde woorden die altijd tot bescheidenheid stemmen: Gods wegen zijn “ondoorgrondelijk” (v. 33). Het is de bedoeling dat de opvolger van Petrus, de bisschoppen, de priesters, de diakens, de gebedsleiders,… ons helpen om Gods wegen beter te begrijpen.

Bernard

Geen feed gevonden