Vergeven en vergeten is slechts één letter verschil, maar het verschil is groot. Jezus vraagt ons meermaals om vergevingsgezind te zijn, maar Hij vraagt nooit om alles zomaar te vergeten. Twee voorbeelden uit de geschiedenis van de Xxste eeuw: de Holocaust of Shoah en de genocide in Rwanda (1994). We mogen die gruwelijke episodes niet vergeten; na de nodige bestraffingen is het tijd voor vergeving en verzoening. Het echte vergeven gebeurt met en vanuit het hart, niet louter met de mond.

In het evangelie van de dag voelt Petrus zich bevestigd in zijn sleutelrol en hij denkt een edelmoedige vraag te stellen over de nodige vergevingsgezindheid. De rabbijnen vonden 3 of 4 maal vergeven ruim voldoende; zeven maal vergeven lijkt voor Petrus al sterk op de goddelijke perfectie. Volgens Jezus moet men 490 maal vergeven, dat wil zeggen dat men eindeloos moet vergeven: onbeperkte wraak wordt onbeperkte vergeving.

Dan volgt de zogenaamde “gelijkenis van de onbarmhartige knecht”. De “koning” in de gelijkenis is God; de schuldenaar is de mens. Simplistisch samengevat vertelt de gelijkenis ons dat Gods goedheid tegenover de mens oneindig is: God geeft hem een kwijtschelding van 3 miljard euro (1 talent = 34,2 kg goud of zilver = 14 jaarlonen; 1 talent = 6000 zilverlingen/denariën/daglonen; 10.000 talenten is een massa geld).

Eigenlijk vroeg de dienaar uitstel van betaling, maar God ging oneindig veel verder in Zijn mildheid. Het vervolg van de gelijkenis is bekend: de dienaar/knecht/mens die net genoten heeft van een volledige kwijtschelding van 3 miljard schuld eist, zonder enig medelijden, de onmiddellijke terugbetaling van 5000 Euro door een medemens (een piepklein bedrag in vergelijking met de 3 miljard, 600.000 keer minder). Bij het lezen van deze gelijkenis voelt iedereen aan dat de dienaar/knecht/mens zeer onbarmhartig en onrechtvaardig heeft gehandeld: hij wordt dan ook zeer streng afgestraft. Uit deze gelijkenis blijkt dat het Oordeel 2 fasen kent: een voorlopige (God kan Zijn genade schenken) en een definitieve (God schenkt uiteindelijk geen genade aan onbarmhartige, genadeloze mensen).

Rond 180 v. Chr. was Jezus Sirach tot deze wijsheid gekomen: “Kan hij, die onverbiddelijk is voor zijn evenmens, om vergeving bidden voor zijn eigen zonden?” (Sir. 28, 4).

Jezus zou 2 eeuwen later het belang van de intermenselijke vergeving met de grootste aandrang benadrukken; het is het enige punt in het Onze Vader waarop Jezus terugkomt (Mt 6, 12.14): “En vergeef ons onze schulden, zoals ook wij vergeven hebben aan onze schuldenaren. (…) Want als gij aan de mensen hun fouten vergeeft, zal uw hemelse Vader ook u vergeven; maar als gij niet vergeeft aan de mensen, zal ook uw hemelse Vader uw fouten niet vergeven.”

Bernard

Geen feed gevonden