Het missaal spreekt nog van de “parabel van de moorddadige wijnbouwers” (WV 1975 “de misdadige wijnbouwers”), maar de Willibrordvertaling van 1995 houdt het bij de “gelijkenis van de vruchten”.

Korte samenvatting van de parabel: een landeigenaar woont in het buitenland, stuurt dienaren en tenslotte zijn eigen zoon om de opbrengst van de wijngaard te innen, maar ze worden allemaal vermoord door de wijnbouwers. Religieuze betekenis van de parabel: God woont in de hemel, stuurt profeten en tenslotte Zijn Zoon naar Israël, maar ze worden allemaal vermoord door de Joden. De landeigenaar (God) veronderstelde dat de wijnbouwers de Zoon “wel zouden ontzien”, maar de wijnbouwers dachten er anders over: misschien was de landeigenaar dood en kwam de zoon zijn erfenis opstrijken. Op religieus vlak: na al die verworpen profeten, wilde God nog één keer proberen om Zijn uitverkoren volk tot inkeer en tot volle bloei te laten komen. Dankzij de eerste lezing (Js 5, 1-7), het zogenaamde lied van de wijngaard, weten we met zekerheid dat Israël dé wijngaard is.
Wat maakt deze parabel zo gevaarlijk?

Jezus vraagt aan “de hogepriesters en de oudsten van het volk” hoe de landeigenaar (God) zal reageren. De hogepriesters en de oudsten van het volk antwoorden: “Hij zal die ellendelingen een ellendige dood doen sterven en zijn wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten”.

De religieuze betekenis van de parabel zou dan zijn dat God het uitverkoren volk van Israël doodt en Zijn Genade of Koninkrijk aan een ander volk geeft (in casu, aan de heidenen of de niet-Joden). Nu begrijpen we al beter waarom deze parabel zo explosief is: bij een slechte interpretatie krijgen de Joden de volle schuld, net zoals in Mt 27, 25 (<>). Het zijn historisch geladen verzen: letterlijk staat er dat “heel het volk” de verantwoordelijkheid voor de kruisiging opeist en mensen zoals Hitler misbruikten dit vers om “heel het (Joodse) volk” te straffen. Niemand weet hoeveel mensen daar hard stonden te schreeuwen, maar in ieder geval niet “heel het volk”! Jezus richt Zich uitsluitend tegen “de hogepriesters en de oudsten van het volk” (en de Farizeeën). Het is uitgesloten dat Jezus Zijn eigen volk integraal verwierp.

De kwestie van het uitverkoren volk is moeilijk en delicaat: is het nog steeds het Joodse volk van Dt 7, 6 of zijn de christenen ondertussen “een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, Gods eigen volk” (1 Pe 2, 9)? Zelfs als we stellen dat het Joodse volk de “steen” (Jezus) heeft “afgekeurd” en dat die “steen” de “hoeksteen” van de Kerk is geworden (Jezus citeert hier woorden van Ps 118, 22-23), dan moeten we nog voorzichtig blijven: het is sowieso niet aan ons om de Joden te veroordelen (het Laatste Oordeel komt alleen God toe), het is wel onze taak om vruchten van het eventueel geërfde Rijk Gods op te brengen (zo niet, kan het erfdeel ook ons ontnomen worden). Zo komen we bij de nieuwe benaming van deze parabel: de gelijkenis van de vruchten. Jezus sprak veelvuldig over het dragen van vruchten: bijvoorbeeld, in hetzelfde hoofdstuk Mt 21, over het verdorren van de vijgenboom (ook een beeld van Israël). In de Bergrede, hét manifest van het christendom, vat Jezus het kort en krachtig samen: men kan een boom (of een godsdienst, of een gelovige, of een profeet) herkennen aan de vruchten die hij draagt of voortbrengt (zie Mt 7, 15-20)!

De zending van de apostelen en dus onze zending is duidelijk: “Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hun te onderhouden alles wat Ik u bevolen heb” (Mt 28, 19-20).

Tot slot, nog een andere tip uit de Bergrede (Mt 7, 1-5): in plaats van anderen te beoordelen of te veroordelen, altijd eerst in eigen boezem kijken!

Bernard

Geen feed gevonden