De laatste evangelielezing van het liturgisch jaar schetst een beeld, als in een parabel, van Jezus’ wederkomst in Zijn Koninklijke heerlijkheid: deze 34ste zondag wordt dan ook Christus Koning genoemd. Overdag lopen schapen en geiten samen, door elkaar, te grazen, maar ‘s avonds zal de koninklijke Herder hen scheiden: de schapen komen aan de goede, rechtse kant te staan en de bokken aan de slechte, linkse kant.

 Onmiddellijk wordt duidelijk dat de Herder van de parabel de Koninklijke Rechter is die het Laatste Oordeel uitspreekt over mensen. En al heel snel blijkt dat de Koning in ons dagelijkse leven, hier en nu, “aanwezig [is] in de noodlijdende mensheid” (Missaal, pag. 1267). Voor die Koning, die “incognito” onder ons is, moeten wij de bekende 6 daden van barmhartigheid stellen: eten, drinken, onderdak, kleding geven, zieken & gevangenen bezoeken. Als we deze belangrijke perikoop in z’n context plaatsen, begrijpen we dat Jezus dacht aan de manier waarop Zijn apostelen, inclusief Hijzelf, behandeld werden.

Jezus Zelf moet gezien worden als een rondtrekkend predikant (“itinerant charismatic”) die voortdurend beroep moest doen op de gastvrijheid van de mensen. Hij die later de Koninklijke Rechter zou zijn had rondgedwaald op aarde als een dakloze zwerver. Zijn apostelen, Zijn 70 (of 72) discipelen en al Zijn volgelingen moesten in Zijn voetsporen treden, zonder geld, noch reiszak, noch schoeisel; zij moesten onderdak vragen, eten en drinken ontvangen (zie Lc 10, 4-8). Wat wij nu de 6 daden van barmhartigheid of de goede werken noemen was levensnoodzakelijk voor het overleven van de eerste christenen (de oudst teruggevonden huiskerk dateert van ongeveer 250 n. Chr.!). Het nalaten van goede werken wordt door de Koninklijke Rechter als schuldig verzuim aanzien. Destijds geen ziekenfonds, geen hospitalen, geen OCMW, geen voedselbank, geen opvang voor daklozen, geen sociale voorzieningen, geen uitkeringen,… Het moet een harde wereld zijn geweest: gebrek aan gastvrijheid wordt door Jezus scherp veroordeeld, ja zelfs vervloekt. Uit de eerste lezing (Ez. 34, 11-12.15-17) is er al sprake van een koninklijke herder die zal “recht doen”.

Als we Mt 25, 31-46 lezen, lijkt het Laatste Oordeel uitsluitend gebaseerd op onze goede werken. En hoe zit het dan met ons geloof? Worden wij niet gerechtvaardigd door ons geloof, zoals Paulus, Augustinus, de protestanten (“sola fide”),… suggereren? Het is een aloude, complexe, theologische discussie. Worden wij uitverkozen “vanaf de grondvesting der wereld” (Mt 25, 34), de predestinatie-gedachte van Augustinus, of kunnen wij, mits de nodige vrije en goede wil, zo’n goede werken verrichten dat we ons eigen heil kunnen bewerken (standpunt van Pelagius)? Uit vers 46 blijkt dat er – gelukkig – “rechtvaardigen” zijn die naar het eeuwige leven gaan. Pelagius greep dit vers aan om aan te tonen dat we verantwoordelijk waren voor onze daden en dat de Rechter ons verantwoording zou vragen. Augustinus verwees dan weer naar Prediker 7, 20: “Geen mens ter wereld is zo rechtvaardig dat hij alleen maar goed doet en nooit verkeerd.”
Uiteindelijk werd Augustinus bekroond als één van de grootste kerkvaders en werd Pelagius verketterd, maar toch zou de Katholieke Kerk altijd de Kerk in het midden houden: goede werken + rechtgeaard geloof. Doen we niet iedere zondag onze Geloofsbelijdenis en alle dagen van ons leven goede werken?

Bernard

Geen feed gevonden