Het is duidelijk dat Marcus met de deur in huis valt met zijn evangelie van de actie: geen geboorteverhalen, er wordt zo snel mogelijk overgeschakeld naar het optreden van Johannes de Doper en Jezus Zelf. Er was al 4 eeuwen geen profeet meer geweest en de evangelist Marcus is gehaast om er in te vliegen, nu dat God het heil heeft uitgestrekt tot de heidenen, via Jezus Christus. Marcus wil deze “blijde boodschap” zo snel mogelijk duidelijk maken voor een heidens, mogelijk Romeins, publiek. De Romeinen hielden wel van een heraut die de komst van een belangrijk persoon kwam aankondigen. Die heraut was Johannes de Doper die Lieve Wouters de “noodzakelijke neef” (Kerknet, 2018) noemde. De Joden kenden een proselietendoop als reinigingsceremonie, maar “een doopsel van bekering” was revolutionair nieuw.

De Joden wisten ook dat God Zijn Geest zou uitstorten tegen de eindtijd (zie bijvoorbeeld Js 32, 15), maar dopen met de Heilige Geest was al even revolutionair nieuw. Het doopsel van bekering dat Johannes predikte was als het ware een eerste stap om de obstakels in de harten van de mensen op te ruimen: weg van de afgoden, weg van het egoïsme, terug naar de ware God. De blijde boodschap was de verkondiging van heil en genade voor iedereen (Joden en heidenen). In het allereerste vers wordt Jezus meteen getypeerd als de lang verwachte Messias (Christus, de Gezalfde) én de Zoon van God, die een unieke, exclusieve relatie had met God de Vader. Ook deze combinatie was revolutionair nieuw: de Joden hadden eerder een nieuwe profeet à la Mozes verwacht of een nieuwe politieke leider, een koning à la David of een combinatie van de twee. Later zou de evangelist duidelijk maken dat Jezus altijd weer zou pleiten voor nederig dienstbetoon en opoffering, wat zeker niet strookte met het Joodse verwachtingspatroon (hoewel de Joden natuurlijk de Lijdende Dienaar kenden dankzij de onvermijdelijke Jesaja). Beide aspecten waren trouwens al duidelijk aanwezig in de kledij en in het dieet van Johannes de Doper: heel het optreden van Johannes de Doper was een terugkeer naar het woestijngebeuren, naar de “roots”, toen de Joden aangewezen waren op het manna van God. Marcus wil uitleggen dat God een nieuwe weg of een brug aanlegt tussen Zichzelf en de mens. Het doopsel van bekering en het dopen met de Heilige Geest moeten de hele persoon transfigureren, vooral mentaal.
Het “begin van de Blijde Boodschap” is echter geen eindpunt: integendeel, nu is het aan ons om op een hoge berg te klimmen teneinde de Blijde Boodschap uit te bazuinen (naar Js 40, 9), want God wil “dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat” (2 Pe 3, 9). Oorspronkelijk eindigde het Marcus-evangelie even spectaculair als het begon: met de overweldigende schrik en ontsteltenis bij het lege graf. Ook daar vond Marcus dat het tijd was voor actie: tijd om de verrezen Jezus te zoeken in ons hart (zoals Bach zou zeggen in zijn Kerstoratorium).

Bernard 

Geen feed gevonden