Na de proloog en een beschrijving van het optreden van Johannes de Doper, beschrijft de evangelist Johannes de roeping van de eerste leerlingen. “Dit is de overgang van het Oude Testament naar het Nieuwe Testament”, zegt het Missaal (pag. 663).

Enkele details vallen op, als men de passage aandachtig leest. Jezus kwam niet naar Johannes de Doper, zoals de dag daarvoor: Hij ging voorbij. Johannes de Doper stond daar met 2 van zijn beste leerlingen: hij staat ze met alle plezier af aan Jezus. In een tijdperk van “social media” (Facebook, Twitter, Instagram,…) stemt dit vers tot nadenken: zijn wij niet geneigd om zelf meer “followers” (volgelingen) te verzamelen in plaats van onze “followers” Jezus te laten volgen? De 2 volgelingen van Johannes de Doper willen nader kennismaken met Jezus en vragen, een tikje naïef, waar Hij woont. Daar waar wij geneigd zouden zijn een visitekaartje, ons GSM-nummer of ons e-mailadres te geven, laat Jezus uitschijnen dat Zijn woonplaats geen rol speelt: “Gaat mee om het te zien”.
Jezus woonde zeker niet in een paleis, had misschien zelfs geen vaste verblijfplaats, maar waar Hij verbleef, heerste vrede. Wie Jezus echt wil leren kennen, wordt niet verworpen; integendeel, hij of zij mag logeren bij de Heer (en andersom: de Heer woont in ons – zie Joh. 17, 20-24).

De twee leerlingen in kwestie (Andreas en meer dan waarschijnlijk de evangelist Johannes zelf) aarzelden geen moment en “gingen Jezus achterna”, omdat hun vorige Meester had gezegd dat Jezus het Lam Gods was. De dag daarvoor, toen Jezus naar hem toekwam om gedoopt te worden, had Johannes de Doper al verklaard: “Zie, het Lam Gods, dat de zonden van de wereld wegneemt”.

Het is niet zeker dat Johannes de Doper zijn neef herkend had, maar hij (h)erkende alleszins het lang verwachte Lam Gods. Het offeren van een lam (Lev. 5, 6; Num. 6, 12.14; Ex. 12, 3.5.21; Ex. 29, 38-46), als zoenoffer, schuldoffer of paaslam was zo’n bekend beeld in het Jodendom dat het ook metaforisch gebruikt werd om het lijden en sterven van een onschuldige voor andere mensen aan te duiden. Het beeld van een mens die zich zou opofferen voor z’n medemensen was dus helemaal niet nieuw: Jesaja had het al gebruikt (Js 53, 10) en Jeremia had zich zelfs al gevoeld (Jr 11, 19) “als een lam dat naar de slachtbank wordt geleid”. Dit alles neemt niet weg dat het zoenoffer van Jezus Christus uniek, éénmalig, definitief en universeel is, op voorwaarde natuurlijk dat de volgelingen Jezus aanvaarden als de Christus/Messias/Gezalfde/Redder.

Laten we nooit vergeten dat wij, dankzij het Kruisoffer, geen dierenoffers meer hoeven te brengen (in tegenstelling tot de moslims en de Joden, zodra de Tempel er opnieuw staat in Jeruzalem). Dit nieuws was zo belangrijk dat Andreas het onmiddellijk ging melden aan zijn broer met de simpele woorden “Wij hebben de Messias gevonden!”. Het Lam Gods (term van Johannes de Doper) is kennelijk gelijk aan de Messias (in de bewoordingen van Andreas). Dé Messias, op wie de Joden al honderden of zelfs duizenden jaren aan het wachten waren, en op wie de meeste Joden nog steeds wachten (want ongeveer 98% van de Joden hebben Jezus nooit aanvaard). Het is een beetje zoals wij zeggen “le beaujolais nouveau est arrivé” of “de nieuwe mosselen zijn er”: men kijkt ernaar uit, men heeft een bepaald verwachtingspatroon, een bepaalde hoop. Andreas bracht zijn broer zo vlug mogelijk bij Jezus, die hem al kende bij voorbaat, zwakheid en sterkte inbegrepen, en die rotsvast geloofde in deze discipel. Na Hemelvaart en vooral na het Pinkstergebeuren zal Petrus zich daadwerkelijk ontplooien als de eerste paus. Jezus wist dat al bij de eerste ontmoeting of misschien nog eerder… Kortom, het is uiterst belangrijk uit te vissen wie men volgt: de kwantiteit speelt geen rol, het is de kwaliteit die doorslaggevend is!

Bernard

Geen feed gevonden