In 1972 maakte Bert Haanstra een documentairefilm over de overeenkomsten tussen dieren en mensen: “Bij de beesten af”. De trouwe lezer van Kerk & leven zal zich nu wellicht afvragen of dit artikel op z’n plaats staat in het parochieblad. Toch wel. De evangelist Marcus wijdt slechts 2 verzen aan de beproevingen van Jezus in de woestijn; in feite zegt Marcus zelfs niets over de beproevingen zelf (daarvoor moeten we ons wenden tot Matteüs 4, 1-11), wel dat Jezus 40 dagen doorbracht in de woestijn (wat natuurlijk doet denken aan de 40 jaar in de woestijn). Marcus voegt echter een verrassend element toe aan het bekende en belangrijke verhaal: “Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten.”

We vermoeden dat die engelen Hem kwamen bedienen op het einde van de 40 dagen vastentijd en dat de satan “wilde dieren” gebruikt om Jezus op de proef te stellen. Moeten we dat letterlijk begrijpen? Werden de “wilde dieren” lief en tam in contact met Jezus? Denkt Marcus hier terug aan de fantastische Messiaanse voorspelling van Jesaja (Js 11, 6)?

<< De wolf en het lam wonen samen, de panter vlijt zich neer naast het bokje, het kalf en de leeuw weiden samen: een kleine jongen kan ze hoeden. >>
Of staan de “wilde dieren” symbool voor allerlei zonden die de mens in de verleiding brengen en uiteindelijk in de afgrond storten? In het Nederlands gebruiken we ook beeldtaal met dieren: bijvoorbeeld, een geldwolf of een geld haai.

We mogen ervan uitgaan dat Marcus dit verhaal niet vertelt om te zien of Jezus zou zondigen, maar om aan te tonen dat Jezus zeker nooit zou zondigen. Uiteindelijk is het verhaal bedoeld om ons te laten zien hoe ook wij weerstand kunnen bieden aan de zonde, aan de beproeving of hoe ook wij in vrede kunnen leven met de “wilde dieren”. We lezen vandaag nog 2 andere verzen uit het eerste hoofdstuk van het Marcus-evangelie.

De eerste prediking van Jezus in Galilea lijkt sterk op de revolutionaire oproep tot bekering van Johannes de Doper: “bekeert u” (“dit is het moment om je leven te veranderen” – BGT van 2014). Net zoals bij Johannes de Doper is de urgentie duidelijk: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij”. Ook hier is de vertaling van de Bijbel in gewone taal (BGT 2014) interessant: het Rijk Gods wordt er “Gods nieuwe wereld”. De NBV Studiebijbel (pag. 2205) verduidelijkt wat Jezus hiermee bedoelde: “Het [Koninkrijk van God] is een apocalyptisch beeld dat de hoop uitdrukt dat God spoedig zal ingrijpen in de wereldgeschiedenis.”

Het vestigen van het Koninkrijk van God was een bekende voorspelling van het Oude Testament. In het begin van de tweede eeuw keek men ongeduldig uit naar de Wederkomst van Jezus, maar de schrijver van 2 Pe 3, 9 maant ons aan tot geduld: “De Heer talmt niet met zijn belofte, zoals sommigen menen, maar Hij heeft geduld met u, daar Hij wil dat allen tot inkeer komen en niemand verloren gaat.”

Bijna 2 millennia later wachten we nog steeds – misschien niet meer zo ongeduldig als destijds – op een ingrijpen van God in de wereldgeschiedenis of op de Wederkomst van Christus. Beproevingen zijn nog steeds ons deel… Men zou zelfs kunnen stellen: hoe trouwer de christen, hoe zwaarder de beproevingen. De schrijver van 1 Petrus 5, 8-9 mag besluiten: “Uw vijand de duivel zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi om te verslinden. Weerstaat hem, sterk door het geloof.”

De cirkel is rond: zo zijn we terug bij “de wilde dieren”, bij de beesten af…

Bernard

Geen feed gevonden