Sinds het begin van de coronapandemie is handhygiëne van vitaal belang. Bij de nieuwjaarswensen horen we vaak dat een goede gezondheid het allerbelangrijkste bezit is, maar hoe weinig wordt er gepeild naar onze spirituele gezondheid? De trouwe lezer zal zich afvragen wat dit allemaal te maken heeft met de Tempelreiniging van Joh 2, 13-25? Heel veel! Paulus zegt immers dat ons “lichaam een tempel van de heilige Geest [is], die in [ons] woont, die [wij] van God [hebben] ontvangen” (1 Kor 6, 19). In de verzen 9 en 10 van hetzelfde hoofdstuk somt Paulus een aantal dingen op die onze ‘spirituele tempel’ kunnen ontwijden. De evangelielezing zegt het expliciet in vers 21: “Jezus echter sprak over de tempel van zijn lichaam”. God wist uiteraard dat de prachtige Tempel van Jeruzalem, als gebouw, 40 jaar na het optreden van Zijn Zoon (in het jaar 70 n. Chr.) totaal verwoest zou worden door de Romeinen. Die verwoesting van de Tempel moet voor de Joden en de eerste christenen een wereldschokkende ramp geweest zijn: men geloofde als het ware dat God daar woonde (en nu fungeert de fameuze Klaagmuur nog steeds enigszins als postbus van God’s vroegere verblijfplaats). Tegen de Samaritaanse vrouw had Jezus al gezegd (Joh 4, 23): “Maar er zal een uur komen, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid. De Vader toch zoekt mensen die Hem zo aanbidden.”

de tempel van Herodes in JeruzalemDe aanbidding zal dus niet langer gebonden zijn aan een bepaalde plek. In zekere zin is Jezus Zelf de Tempel geworden. In de tweede lezing (1 Kor 1, 23) zegt Paulus het duidelijk: “wij verkondigen een gekruisigde Christus, voor de Joden een aanstoot, voor de heidenen een dwaasheid”. Zeker, de Joden namen aanstoot aan wat Jezus daar allemaal zei en deed; Jezus nam aanstoot aan wat er allemaal gebeurde in die prachtige Tempel. Ja, we mogen gerust stellen dat Jezus boos werd en een beetje gewelddadig werd (de evangelist Johannes is de enige evangelist die gewag maakt van een “gesel”). Het is zo dat de vrome Joden voor de 3 pelgrimsfeesten naar Jeruzalem moesten komen om de nodige offers te brengen. Om praktische redenen en ook om zeker te zijn dat men een geschikt “gaaf” offerdier had, werden de offerdieren doorgaans aangekocht in de Tempel zelf: “runderen, schapen en duiven”. Er zaten ook “geldwisselaars”, want alles (offerdieren, tempeltaks, rituele baden,…) moest betaald worden in Tempelmunten (een soort bit coins of jetons). Jezus stelt de gevestigde orde van de Joodse leiders serieus in vraag: was de Tempel niet eerst en vooral een gebedshuis in plaats van een marktplaats? Jezus was gekant tegen die hele business, tegen woekerprijzen, tegen geldzucht,… De Bijbel Dichtbij (pag. 1901) vat het kort samen: “Weg met die handel!” (letterlijk en figuurlijk). Er is ook een hypothese dat Jezus, net zoals Jesaja en de Essenen, een vegetariër zou geweest zijn, maar dat is onmogelijk te bewijzen (Hij is uiteraard Zelf het Paaslam, het Lam Gods, dat voor ons geslacht werd, als éénmalig, universeel zoenoffer). Misschien is het ook nuttig om de Tempelreiniging in context te plaatsen, dat wil zeggen tussen de Bruiloft te Kana en het gesprek met Nikodemus. Er mag inderdaad een verband gezocht worden met het veranderen van water in wijn: er stonden 6 enorme kruiken (6 x 120 l) “volgens het reinigingsgebruik der Joden”; dat water dat diende om te zuiveren werd wijn, dat wil zeggen bloed van Christus, dat ons reinigt. Vers 13 is merkwaardig in dit opzicht (“Toen het paasfeest der Joden nabij was, ging Jezus op naar Jeruzalem.”): hoewel de evangelist Johannes natuurlijk een Jood is, lijkt hij zich te distantiëren van “het paasfeest der Joden” en betekent Pasen voor hem al de verrijzenis van Christus. Het is belangrijk te noteren dat het Johannes-evangelie gedateerd wordt tussen 90 à 100 n. Chr., dat wil zeggen 20 à 30 jaar na de verwoesting van de Tempel. De breuk tussen het Jodendom en het christendom was voltrokken. De ijver voor de Tempel had ook reeds de psalmist (Ps 69, 10) in levensgevaar gebracht. De profeet Hosea had het aangestipt (Hos 6, 6): “Want vroomheid wens Ik, geen offergaven, en erkenning van God, meer dan brandoffers.”

Handel drijven leek belangrijker dan de gods-dienst. Jezus haalde Zich de woede van de Joodse religieuze leiders op de hals. De Tempelpolitie, de ordebewaarders, de Joodse leiders zouden later het Lichaam van Jezus laten afbreken.
Het Missaal spreekt op pagina 198 van een “jaloerse God”. Inderdaad, in de eerste lezing (Ex 20, 3) horen we: “Gij zult geen andere goden hebben, ten koste van Mij.”

Conclusie: als ons lichaam “een tempel van de heilige Geest” is, moeten we ons lichaam voortdurend reinigen, dat wil zeggen alle zonden wissen.

Bernard

Geen feed gevonden