Tijdens “Jezus’ laatste openlijke optreden” (Willibrordvertaling 1995, pag. 1595) geeft Jezus ons een merkwaardige paradox in Joh 12, v. 25: “Wie zijn leven bemint, verliest het, maar wie zijn leven in deze wereld haat, zal het ten eeuwigen leven bewaren.”

F0034b11

Het is zelfs een dubbele tegenstelling: beminnen versus haten en verliezen versus bewaren. Een moeilijk vers, dat we zo goed mogelijk moeten kaderen. In de Willibrordvertaling van 1975 staat er als titeltje “Jezus en de Grieken”. Die zogenaamde Grieken waren godvrezende heidenen (niet-Joden) of half-proselieten. Ze waren niet besneden, maar hadden het polytheïsme verlaten; ze mochten het Paaslam niet nuttigen, ze mochten niet verder in de Tempel dan de zogenaamde voorhof der heidenen. Ook hier weer een sterke tegenstelling: de heidenen benaderen Jezus steeds meer; de Joodse leiders distantiëren zich steeds meer van Jezus. Bovendien zien de Joodse leiders met lede ogen aan hoe “de hele wereld Hem achterna gelopen [is]” (v. 19). Ongetwijfeld een typische hyperbool (in het Grieks staat er zelfs ‘kosmos’). Die Grieken doen beroep op Filippus (wellicht ook een Griek), omdat ze betwijfelen of Jezus Zelf hen wel zou willen ontvangen (Filippus is daar ook niet zeker van en gaat te rade bij Andreas). Bij het begin van Zijn missie dacht Jezus Zelf dat Hij alleen gekomen was voor het Joodse volk (zie Mc 7, 24-30). Nu beseft Jezus ten volle dat het uur van de waarheid aangebroken is. In de woorden van Psalm 47, 10: de volken zijn nu “samengeschaard” om “Abrahams God” te aanbidden. In de eerste lezing laat de profeet Jeremia (Jr 31, 31) “een nieuw verbond” uitschijnen (toegegeven: “met Israël en Juda”). Jezus voelt alles aan: Zijn einde nadert en Zijn missie wordt opengetrokken tot de hele mensheid, tot de hele wereld die God zo liefhad (zie natuurlijk Joh 3, 16).

Het is niet uitgesloten dat de Grieken Jezus wilden redden door Hem mee te nemen naar Griekenland als filosoof-leermeester-rabbi-predikant. Tot ieders verbazing heeft Jezus goed nieuws voor deze Grieken, Hij heeft hen iets te bieden: Verlossing, zonder bekering tot het Jodendom met het zware juk van de 613 regels. Jezus gebruikt, zoals meestal, een eenvoudig beeld dat iedereen kende: de gezaaide graankorrel die in de grond moet sterven om veel vruchten, in casu, veel brood (manna!) voort te brengen. Jesaja (Js 53, 10) had het – weeral – voorspeld: na Zijn “zoenoffer” zal de Messias (de lijdende Dienaar van de Heer) veel “nakomelingen” krijgen. De wereldgeschiedenis leert ons dat het christendom geboren werd na de Kruisdood van Jezus (30 n. Chr.). De eerste Brief van Paulus dateert van +/- 50 n. Chr. Na ruim 3 eeuwen vervolging werd het christendom staatsgodsdienst in 380 n. Chr. Heel onze jaartelling is gebaseerd op het (vermeende) geboortejaar van de Heiland. Ruim 2000 jaar later telt het christendom ongeveer 2,4 miljard volgelingen, goed als levensbeschouwing voor bijna 1/3 van de wereldbevolking. Jezus wordt bekrachtigd als dé Christus door een stem uit de hemel, hier voor de derde keer (de eerste keer na Zijn doop in de Jordaan; de tweede keer tijdens de gedaanteverandering). Deze bevestiging is nodig, want de pericoop is niet uitsluitend rozengeur en maneschijn: de wereld, zoals de evangelist Johannes dat graag zegt, zal zich tegen Jezus Christus keren.

Een aanzienlijk deel van de mensheid zal liever onder de heerschappij van “de vorst dezer wereld” (v. 31 – lees: de Satan of de duivel) blijven. De Joden dachten dat de Messias voor eeuwig en altijd op aarde zou blijven als Koning der Joden. Jezus ontnuchtert alle omstaanders en toehoorders op alle vlakken: ten eerste is Hij niet alleen Koning der Joden, maar ook de Koning der koningen over alle volkeren; ten tweede, zal Hij na Zijn Kruisdood en Hemelvaart verheerlijkt worden in de hemel om ons te komen oordelen bij Zijn Wederkomst op aarde, als Rechter van het Laatste Oordeel. Voor alle omstaanders en toehoorders moeten deze uitlatingen van Jezus totaal onbegrijpelijk zijn geweest. Kers op de taart: “Nu heeft er een oordeel over deze wereld plaats” (v. 31). Dit ging er niet in bij de Joodse leiders. Het volgende paragraafje heet dan ook “Ongeloof”…

Wat wou Jezus bedoelen? Het is kiezen of delen: kiezen voor de duivel of voor Jezus Christus. Tenslotte moet deze keuze voor Jezus onze absolute topprioriteit zijn: wij moeten meer van Jezus houden dan van onszelf, zonder onszelf te minachten – dat spreekt voor zich.

Bernard

Geen feed gevonden