Palmzondag, het begin van de Goede Week. Goede Week, niet omwille van het Hosanna-gejubel, maar wel degelijk omwille van het “Crucifixus etiam pro nobis” (Hij werd voor ons gekruisigd).

Pilatus wast zijn handen in de onschuldZoals altijd in het Evangelie (en al zeker bij Marcus) heeft ieder woord, iedere naam z’n belang: Jezus gaat van Betanië (het huis van de arme) naar Betfage (huis van de groene vijgen: de vijgeboom is één van de symbolen van Israël). Jezus moet bekend zijn geweest in de regio, want wanneer 2 leerlingen het veulen gaan halen, volstaat het dat ze zeggen dat de Heer het nodig heeft. Het is ook merkwaardig dat het veulen “waarop nog nooit iemand gezeten” had zich zo gewillig laat berijden. Ezels zouden niet zozeer dom of koppig zijn, maar eerder opportunistisch: ze moeten ‘getriggerd’ worden. Het veulen (h)erkent kennelijk de Messias en is onmiddellijk bereid Hem naar Jeruzalem te vervoeren voor de blijde intocht van Jezus. Niet alleen de leerlingen, maar ook de omstanders zijn wild enthousiast: wij zouden zeggen dat de rode loper wordt uitgerold. Het taalgebruik is ontleend is ontleend aan Psalm 128, v. 25-26. Voor ons klinkt << Hosanna! Benedictus, qui venit in nomine Domini! >> wat routineus, maar in de tijd van Jezus waren die woorden bijzonder betekenisvol, ja zelfs geladen. We zouden kunnen parafraseren: kom ons redden van de Romeinse onderdrukker, kom het Koninkrijk van God zo snel mogelijk inluiden! Het is dus niet alleen een vreugdekreet, maar ook een noodkreet, een smeekbede: “O Heer, geef ons dan uw heil, o Heer”, zegt de psalmist. En natuurlijk zaten de omstanders in volle Messiaanse verwachting, met Zacharias 9, 9-10 in gedachten: “Jubel luid, gij dochter Sion, juich, gij dochter Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, rechtvaardig en zegevierend; hij is deemoedig, hij rijdt op een ezel, op een veulen, het jong van een ezelin. (...) Dan kondigt hij vrede af onder de volken”.

Was dit het langverwachte startschot van de revolutie die de gehate Romeinen eindelijk zou verdrijven?

Tot daar gaat alles goed, maar dat verandert in het laatste vers (Mc 11, 11): Jezus gaat naar de Tempel, het schouwspel bevalt Hem niet (‘s anderendaags is het tijd voor het vervloeken van de vijgeboom, symbool van de Tempeldienst en de Tempelreiniging), Hij besluit terug te keren naar Betanië (zoals gezegd, het huis van de arme). De verwachtingen waren hoog gespannen: eindelijk komt de Messias vrede brengen, ons verlossen van de Romeinen, het Koninkrijk van David herstellen (naar 2 S 7, 12-13), de Tempeldienst bekrachtigen,… Het tegendeel was waar: Jezus zou de Tempel reinigen en de finale ondergang van de Tempel voorspellen (de Tempel werd uiteindelijk verwoest in 70 n. Chr. door de Romeinen). Het Hosanna-geschreeuw was dus veel geblaat, maar weinig wol… De vervloeking van de vijgeboom wijst ook in die richting: veel uiterlijke schijn (“in blad”), weinig innerlijk geloof (geen vruchten).

Op Palmzondag lezen we ook het hele Passieverhaal (in het B-jaar: Mc 14, 1 – Mc 15, 47). 't Kan verkeren, zei Bredero. Laat ons nu in het Passieverhaal enkele elementen aanstippen die de evenementen kunnen verklaren. Te beginnen met de apostelen die Jezus “en bloc” lieten vallen: niemand van de “intimi” gaat vrijuit. Samengevat: Judas verraadt, Petrus verloochent, maar alle apostelen laten Hem in de steek. Aan de voet van het Kruis en aan het graf, treffen we voornamelijk vrouwen aan, dat moet zeker eens gezegd en geschreven worden. Om het gevaar van blind antisemitisme te onderstrepen, noteren we dat vooral de hele hiërarchie van het Sanhedrin (“hogepriesters, oudsten en schriftgeleerden”) in het vizier komt. Toegegeven: later is er sprake van “het volk” dat staat te schreeuwen, maar niemand weet hoeveel mensen daar stonden te schreeuwen; bovendien suggereert de evangelist Marcus dat het volk opgehitst (of misschien zelfs omgekocht) werd door de hogepriesters. Heel belangrijk is het verschil tussen de aanklachten van de hogepriester en de aanklachten of liever, bezorgdheden van Pilatus: Kajafas verwierp Jezus als Messias (om religieuze redenen); Pilatus was bezorgd dat Jezus als “koning der Joden” een rebellie tegen Rome zou ontketenen (geen religieuze, maar eerder politieke redenen). Pilatus zag als eerste dat Jezus geen “oproermaker” was (in tegenstelling tot Barabbas). Dankzij de evangelist Matteüs weten we dat Pilatus, na een tip van zijn vrouw (Mt 27, 19), een “rechtschapen mens” vond: daarom wou hij liever Barabbas laten kruisigen en Jezus laten gaan. Volgens Matteüs wist Pilatus dat Jezus de Christus genoemd werd, maar dat boeide hem niet: hij was weinig of niet geïnteresseerd in de Joodse godsdienst, hij wou alleen een zoveelste Joodse opstand vermijden. Tenslotte waste Pilatus zijn handen in onschuld (nog steeds volgens Matteüs). Bij Marcus vraagt Pilatus zich gewoon af: “Wat voor kwaad heeft Hij dan gedaan?”. Impliciet antwoord: niets. Net zoals Jezus had gezegd tijdens Zijn arrestatie: Hij had toch alleen wat onderricht in de Tempel gegeven? Gaandeweg wordt het steeds duidelijker dat het vooral de niet-Joden zijn die Jezus erkennen: zo komt “Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus” uit Afrika en worden de 2 namen van christelijke bekeerlingen genoemd (het lijkt erop dat Marcus deze 2 zonen kende vanuit Rome). De climax van heel dit erkenningsverhaal is uiteraard de “honderdman” die waarschijnlijk honderden kruisigingen had meegemaakt en die nu uitroept: “Waarlijk, deze mens was een Zoon van God.”

Merkwaardig is het gebruik van het onbepaald lidwoord (“een”). Misschien wil Marcus onderstrepen dat deze Romein uit het veelgodendom kwam (met veel goden, godinnen, zonen en dochters van goden) en dat hij zich net had bekeerd tot het christendom, tot dé Zoon van God.

Bernard

Geen feed gevonden