Op het hoogfeest van Beloken Pasen (beloken = voltooid deelwoord van “beluiken”, het tegenovergestelde van “ontluiken”) sluiten we het paasoctaaf af met steeds dezelfde evangelielezing: het verhaal van de spreekwoordelijke ongelovige Thomas (Joh 20, 19-31). In dit artikel staan we stil bij het vers 28, de uitroep van Thomas: “Mijn Heer en mijn God!”

F0034b14

Deze geloofsbelijdenis van Thomas is uitermate belangrijk, want alleen in het Johannes-evangelie wordt Jezus rechtstreeks “GOD” genoemd. De evangelist Johannes had dit van meet af aan geponeerd, in zijn bekende en belangrijke proloog (Joh 1, 1-18): “In het begin was het Woord en het woord was bij God en het Woord was God.”

Dat is wat men noemt ‘met de deur in huis vallen’. In Joh 20, 19.26 gebeurt dit ‘met de deur in huis vallen’ heel letterlijk: de deuren waren gesloten, en Jezus kwam binnen. Deze details maken een moeilijke leerstelling meteen duidelijk: Jezus is 100% mens (met nog zichtbare wonden in handen en zijde, ten gevolge van de kruisiging), Jezus is 100% God, die zomaar door deuren en muren stapt. Er zit een stijgende lijn in de 7 “Ik ben”-uitspraken van het Johannes-evangelie: tot Jezus komen, Hem volgen, binnengaan in een nieuwe denk- en leefwereld, geloven in Hem, tenslotte beseffen dat Hij hét leven en de opstanding is en dat er geen andere weg is.

De synoptici (Mt, Mc, Lc) noemen Jezus nergens rechtstreeks God. De bekende belijdenis van Petrus in Mt 16, 16 gaat niet verder dan dit: “Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.”
De meeste exegeten en theologen menen te mogen stellen dat de historische Jezus – voor zover we die kunnen reconstitueren – Zichzelf nooit rechtstreeks identificeerde met God (de Vader); Jezus was zelfs voorzichtig met de geladen term “Messias”, omdat Hij wist dat de Joden het verwachtingspatroon koesterden van een Messias die als een ultieme combinatie van Mozes, David & Salomo ‘instant’ vrede zou brengen, desnoods door een militaire ingreep tegen de Romeinen. Naar alle waarschijnlijkheid noemde Jezus Zichzelf liever de Mensenzoon, die mysterieuze figuur uit het Bijbelboek Daniël. Nu is het wel zo dat het belangrijke Griekse woord kyrios (denk aan Kyrie Eleison) heel verschillende betekenissen kan hebben, gaande van Meneer, Meester, Heer,… tot de HEER (Hebreeuws: ‘Adonai), Jahwe, God,… Een mooi voorbeeld is de smeekbede van de melaatse in Mt 8, 2: “Als Gij wilt, Heer, kunt Gij mij reinigen.”
Het gebruik van het woord kyrios is daar zeer dubbelzinnig: het valt moeilijk uit te maken of de evangelist Matteüs “Meneer” of “HEER” bedoelde. In het Oude Testament worden “Jahwe, uw God” en “uw Redder” wel eens in één adem genoemd (bijvoorbeeld in Js 43, 3), maar toch lijkt het er op dat de synoptici God de Vader en de Messias/Redder duidelijk onderscheiden. Het zou best kunnen dat deze evolutie alles te maken heeft met de datering van de evangeliën: Mt-Mc-Lc misschien vóór de verwoesting van de Tempel van Jeruzalem en het Johannes-evangelie (90 n. Chr.?) duidelijk na de verwoesting van de Tempel in het jaar 70 n. Chr. Deze onvoorstelbaar schokkende gebeurtenis had grote gevolgen: einde van de ultrageheime uitspraak van dé Naam van God (JHWH), einde van de offerdienst, einde van de 3 pelgrimsfeesten,...

Er is veel inkt gevloeid over het zogenaamde anti-judaïsme en antisemitisme in het Johannes-evangelie (tot zelfs in de NBV-Studiebijbel van 2008, pag. 2137 & 1920), maar naar mijn gevoel is het beter om te stellen dat de evangelist Johannes een definitieve breuk tussen de godsdienstbeleving van de Joden en de godsdienstbeleving van de christenen vaststelt. Het is trouwens diezelfde evangelist Johannes die meldt dat de christenen “gebannen” worden uit de synagoge (zie Joh 9, 22 & Joh 16, 2). De latere geschriften van het Nieuwe Testament verhogen het statuut van Jezus: eeuwige hogepriester in de Brief aan de Hebreeën (+/- 90 n. Chr.?), “onze God en redder Jezus Christus” als één en dezelfde figuur in de Tweede Brief van Petrus (begin 2e eeuw? laatste geschrift van het Nieuwe Testament?). Het zijn sowieso bijzonder moeilijke vragen met contradictorische antwoorden. Langs de ene kant zijn er ook vroegere geschriften, zoals de pastorale Brief van Paulus aan Titus, die spreken van “de heerlijkheid van onze God en onze redder Jezus Christus” (Tit 2, 13); langs de andere kant eindigt de evangelielezing van Beloken Pasen met 2 verzen die de uitroep van Tomas lijken te milderen (of zelfs tegen te spreken): “Nog vele andere tekenen heeft Jezus gedaan in het bijzijn van zijn leerlingen, welke niet in dit boek zijn opgetekend, maar deze hier zijn opgetekend, opdat gij moogt geloven, dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat gij door te geloven leven moogt bezitten in zijn Naam.”

Laat ons positief besluiten met de zending van degenen “die niet gezien en toch geloofd hebben” (Joh 20, 29). Niemand van ons heeft Jezus gezien en toch worden wij op missie gestuurd om Hem, onze opdrachtgever, te vertegenwoordigen, de prachtige woorden van Antoine de Saint-Exupéry (1900-1944) indachtig: “L'essentiel est invisible pour les yeux, on ne voit bien qu'avec le coeur.”

Letterlijk vertaald: “Het belangrijkste is onzichtbaar voor de ogen, men ziet slechts goed met het hart.” Jezus zou dit zeker beamen… Thomas ook.

Geen feed gevonden