De vierde van de 7 “Ik ben-uitspraken” in het Johannes-evangelie lijkt braaf en onschuldig, maar was het zeker niet voor de aandachtige Joodse toehoorders. Tweemaal (Joh. 10, 11.14) zegt Jezus: “Ik ben de goede herder.”
Deze uitspraak had verregaande gevolgen…

 1) Welke geleerde Jood zal er niet onmiddellijk gedacht hebben aan Psalm 23 van David “De Heer is mijn herder”? Jezus identificeert Zich met de Heer, wat schokkend was voor de Joden. Jezus claimt hier goddelijke status en het is een God van liefdevolle zorg. De “huurling” doet zijn job voor het geld; Jezus doet zijn “job” als Goede Herder uit liefde. Het is trouwens meer dan een job, het is een missie (afgeleid, net zoals “mis” van het Latijn “missio” van het werkwoord ‘mittere’, ‘zenden’), een wereldwijde missie: sterven voor alle zonden van de wereld.

2) Wie spreekt van de “goede” herder, insinueert dat er ook slechte leiders zijn. Volgens de schrijver van de Brief aan de Efesiërs (Ef. 4, 11) zijn er apostelen, profeten, evangelisten, herders, leraars,... in de kerk. In het Latijn staat er “bonus pastor”: onze woorden “pastoor” en “pastoraal” zijn ervan afgeleid. De godsdienstige leiders van Israël voelden zich ongetwijfeld geviseerd als ‘slechte’ herders. Een slechte herder, een goeroe, een charlatan (“de huurling” zoals de evangelist Johannes zegt) is alleen uit op winstbejag, hij “heeft geen hart voor de schapen” (v. 13) en heeft liever dat zijn volgelingen opofferingen doen voor hem. Een kudde schapen en geiten was een heerlijke prooi voor wilde dieren zoals wolven en leeuwen (die waren al zeldzaam geworden in het Israël van Jezus). Slechte mensen, “valse profeten” worden door Jezus omschreven als “roofzuchtige wolven” (zie Mt 7, 15). En wij, christenen, zijn als schapen onder de wolven: we moeten “omzichtig als slangen en argeloos als duiven” zijn (naar Mt 10, 16). Zoals vaak werd dit alles voorspeld door Jesaja in de 8ste eeuw v. Chr.: “Wij allen waren als schapen verloren gelopen, en ieder van ons was eigen wegen gegaan; maar op hem heeft Jahwe laten neerkomen de schuld van ons allen. Hij werd gefolterd en diep vernederd, maar heeft zijn mond niet geopend, zoals een lam dat ter slachting geleid wordt.” (Js 53, 6-7)
In de 6de eeuw v. Chr. voorspelde Ezechiël (Ez. 34, 23): “Dan zal Ik over hen een herder aanstellen die hen weiden zal: mijn dienaar David. Die zal ze weiden, die zal hun herder zijn.”

De jonge David (Hebreeuws voor “lieveling”, c. 1040 v. Chr. tot 970 v. Chr.) was letterlijk een herder: “Toen uw dienaar de schapen van zijn vader hoedde, kwam er soms een leeuw of een beer, die een schaap uit de kudde roofde; dan ging ik achter dat dier aan, sloeg het neer en redde het schaap uit zijn muil. En viel het dier mij aan, dan greep ik het bij zijn baard en sloeg ik het dood. Leeuwen en beren heeft uw dienaar neergeslagen.” (1 S 17, 34-36)

Met zijn vaardigheden als herder en vooral met de hulp van God zou dezelfde David Goliat overwinnen.
3) Het spreekt voor zich dat Jezus niet letterlijk een herder was (hij was eerder “de zoon van de timmerman” – Mt 13, 55), maar het grootste probleem van de metafoor van de goede herder is dat wij niet vergeleken willen worden met schapen. Schapen hebben een slecht oriënteringsvermogen en hebben de neiging om verloren te lopen (zoals Jesaja het formuleerde in de geciteerde perikoop). Schapen zijn dus met andere woorden heel afhankelijk van hun herder. Sinds de eeuw van de Verlichting (18de eeuw) voelt de mens zich meer autonoom en doet hij liever beroep op de rede (ratio). Bovendien associëren wij schapen met de notie “kuddegeest”, terwijl we liever individualistisch handelen. Kuddegeest heeft trouwens een zeer negatieve bijklank, namelijk een volksmassa die blindelings een dictatoriale leider volgt: denken we aan het toneelstuk “Rhinocéros” van Ionesco (1959) of de Duitse film “Die Welle” (2008), gebaseerd op een experiment in 1967 dat aantoont hoe gemakkelijk het is een grote menigte te manipuleren. Jezus besefte ongetwijfeld dat het extreem moeilijk zou zijn om “alle volkeren” te bekeren (zie Mt 28, 19) zonder een machtspositie in te nemen. De evangelist Marcus licht deze problematiek toe in hoofdstuk 10, 35-45 (met als kopje “Ware grootheid”). Toen Jakobus en Johannes aan het ruziën of lobbyen waren over het leiderschap, gaf Jezus hen deze wijze woorden mee: “Gij weet dat zij die als heersers der volkeren gelden, hen met ijzeren vuist regeren en dat de groten misbruik maken van hun macht over hen. Dit mag bij u niet het geval zijn; wie onder u groot wil worden, moet dienaar van u zijn, en wie onder u de eerste wil zijn moet de slaaf van allen zijn, want ook de Mensenzoon is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.” (Mc 10, 42-45)
De lezer begrijpt onmiddellijk dat er doorheen de wereldgeschiedenis bitter weinig goede herders zijn geweest, omdat hebzucht, praalzucht en machtsmisbruik nu eenmaal de traditionele valkuilen zijn die de duivel graag hanteert. Graag citeer ik twee bewonderenswaardige uitzonderingen: aartsbisschop Romero die in 1977 het bisschoppelijk paleis verliet om in een ziekenhuis voor de armen te gaan wonen en José Mujica, de president van Uruguay (2010-2015) die 90% van zijn loon weggaf aan liefdadigheid (zie de ingevoegde foto)
Bernard

Geen feed gevonden