Zowel de eerste lezing als de Evangelielezing geven een soort samenvatting van wat er net allemaal gebeurd was met Jezus van Nazareth, die zoon van de timmerman die Zich ontpopte tot Messias. Wie in die tijd het woord “Messias” gebruikte, had allerlei hooggespannen verwachtingen, die de Emmaüsgangers goed weergeven: “En wij leefden in de hoop dat Hij degene zou zijn die Israël zou verlossen!”
Die enige hoop werd letterlijk en figuurlijk aan het Kruis geslagen op zo’n manier zelfs dat het uiterst moeilijk was om de Verrezen Gekruisigde te herkennen. Maria Magdalena dacht dat het de “tuinman” was (Joh. 20, 15); de apostelen geloofden haar verhaal niet (Mc 16, 11). Toen Hij verscheen aan de Emmaüsgangers “in een andere gedaante”, herkenden ze Hem niet meteen. De Romeinse soldaten die het graf moesten bewaken worden omgekocht om een draai aan het Verrijzenisverhaal te geven: zij sliepen en de leerlingen van Jezus zijn het lijk komen stelen (Mt 28, 13). Dit werd dan volgens Matteüs de officiële versie van de feiten: “Dit verhaal is onder de Joden verder verteld tot op de dag van vandaag.” (Mt 28, 15b).

F0034b15Foto: Emmaüs door Rembrandt.

Ernest Renan ging in zijn “Leven van Jezus” (1863) ook uit van een diefstal van het lijk of anders een hallucinatie vanwege de leerlingen. Andere hypotheses die naar voor werden gebracht door mensen die niet willen geloven in de Verrijzenis: Jezus was niet echt dood, maar schijndood (wie de realistische film “The Passion of the Christ” – 2004 heeft gezien verwerpt onmiddellijk deze hypothese met afschuw); de man die werd teruggezien was Zijn broer of een dubbelganger. Een gelovige christen verwerpt al deze hypothesen met klem, dat spreekt voor zich. Paulus vat – heel terecht – de kern van ons geloof als volgt samen: “Want als uw mond belijdt, dat Jezus de Heer is, en uw hart gelooft, dat God Hem van de doden heeft opgewekt, zult gij gered worden.” (Rom 10, 9)
Dezelfde Paulus formuleert het eveneens twee maal negatief: “En wanneer Christus niet is verrezen, is onze prediking zonder inhoud en uw geloof eveneens. (...) als Christus niet is verrezen, is uw geloof waardeloos en zijt gij nog in uw zonden” (1 Kor. 15, 14-17 partim).
Het is duidelijk dat de evangelist Lucas de Verrijzenis van Jezus bevestigt en bekrachtigt met verschijningen: eerst aan de vrouwen, dan aan Petrus, vervolgens aan de Emmaüsgangers en tenslotte aan de elf apostelen. Vermits de apostelen aanvankelijk dachten dat het een spook was dat plotseling in hun midden stond (naar vers 36), wil Lucas aangeven dat de Verrezene een mens van “vlees en beenderen” was. Telkens weer lijken de Verrijzenisverhalen “beuzelpraat” (v. 11). Zag Jezus, in Zijn onvergankelijke Lichaam, er dan zo onherkenbaar anders uit? Dat valt moeilijk te zeggen, maar Lucas wil ons in ieder geval duidelijk maken dat men kan eten met de Verrezen Heer en dat Hijzelf daadwerkelijk eet (“een stuk geroosterde vis”). Net zoals in het bekendere verhaal van de ongelovige Tomas, vraagt Jezus om betast te worden en toont Hij Zijn “handen en voeten” die ongetwijfeld nog littekens vertoonden van de Kruisiging. Jezus kent ons ongeloof en vraagt Zich nogmaals af: “waarom komt er twijfel op in uw hart?”.
In Lucas 24 gaat werkelijk alles open: het graf, het huis, de ogen, de Schrift, de lippen, het verstand, de hemel. Lucas zegt tweemaal dat de Schriften ontsloten moeten worden: heel het Oude Testament, de “Wet van Mozes, de profeten en psalmen”. Misschien enkele voorbeelden: de godverlatenheid van Psalm 22; de Verrijzenisgedachte van Psalm 16, 10; het zoenoffer van Jesaja 53; de opstanding “op de derde dag” van Hosea 6, 2; “licht voor de volken (…) heil (...) tot in de uithoeken der aarde” (Js 49, 6 – partim). De bewijsvoering komt terug in het tweede Boek van Lucas (Hnd. 10, 40-41): “God heeft Hem echter op de derde dag doen opstaan en laten verschijnen, niet aan het hele volk, maar aan de getuigen die door God tevoren waren uitgekozen, aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben nadat Hij uit de doden was opgestaan.”
In deze perikoop valt de term “getuigen” (“martures” in het Grieks, waarvan het woord “martelaar” is afgeleid): wij zijn weliswaar geen ooggetuigen, maar desalniettemin moeten we getuigenis (Grieks “marturion”) afleggen van de Verrezen Heer. Alle apostelen, behalve misschien Johannes, stierven als martelaren, als bloedgetuigen, ze waren bereid om hun leven te geven voor de Verrezen Heer. Het martelaarschap van de eerste christenen is voor mijn part nog meer dan de Bijbelse getuigenissen hét ultieme bewijs dat zij de Verrezene effectief hebben gezien: wie zou er nu zijn leven geven voor een goeroe die een schandelijke afgang kende? De eerste christenen moeten een onwankelbaar geloof hebben gehad in de Gekruisigde die niet alleen Verrezen, maar ook Verschenen was. Dat willen de evangelisten ons op het hart drukken. Zien wij, een paar duizend jaar later, de Verrezen Heer nog in de geconsacreerde hostie (realis praesentia: ware aanwezigheid)? Herkennen wij Hem nog bij “het breken van het brood” (v. 35)?
Bernard

Geen feed gevonden