In het Johannes-evangelie staan er zeven “Ik ben”-uitspraken: Ik ben het Brood des Levens/het Licht van de Wereld/de Deur/de Goede Herder/de Opstanding en het Leven/de Weg, de Waarheid en het Leven/de Ware Wijnstok. Tot voor kort vond ik de 7de en laatste “Ik ben”-uitspraak een beetje een anticlimax, maar nu blijkt “Ik ben de Ware Wijnstok” een perfecte samenvatting van de verhoudingen tussen God de Vader, de Zoon van God en de gelovigen.

 F0034b17

(foto: Van Gogh - De rode wijngaard) God de Vader is de wijnbouwer of de wijngaardenier; Jezus is de wijnstok en wij, de gelovige volgelingen, zijn de ranken. In het lied van de wijngaard (Js 5, 1-7) legt Jesaja uit dat God een mooie wijngaard had aangelegd in “Israëls huis”, met “wachttoren”, “omheining” en “wijnpers” in de hoop goede wijn te produceren. Een wijnstok is werkelijk een nationaal symbool van vrede en welvaart in Israël; bij een Pesach-maaltijd symboliseert de wijn Gods goedheid. Helaas bracht de wijngaard slechts “wilde bessen” voort… Jeremia vat het verhaal van de wijngaard als volgt samen: “Ik had u geplant als een edele wijnstok van de fijnste soort. Hoe zijn dan uw ranken ontaard en een wilde wingerd geworden?” (Jr 2, 21).

Dankzij het bekende verhaal van de wijngaard van Nabot weten we dat een wijngaard iets persoonlijk is en dat we dus een persoonlijke relatie moeten hebben met God. In Psalm 80 duikt dan plotseling de Zoon op: “God der hemelse scharen, o keer toch, zie neer uit de hemel, aanschouw het: hergeef hem uw zorg, deze wijnstok, de loot die uw rechterhand plantte, de zoon die Gij sterkte verleend hebt” (Ps 80, 15-16). Sinds de bruiloft te Kana (Joh 2, 1-12) wisten we dat Jezus “goede wijn” voortbracht (het veranderen van water in wijn was Zijn eerste teken of mirakel in het Johannes-evangelie). De bruiloft te Kana is een voorafspiegeling van het Nieuwe Verbond; in combinatie met de eerste “Ik ben”-uitspraak (“Ik ben het brood des levens”) krijgen we een voorafspiegeling van de eucharistie. Men zegt wel eens dat er bij Johannes geen eucharistie ingesteld wordt, maar dat is onjuist: “als gij het vlees van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, hebt gij het leven niet in u. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem doen opstaan op de laatste dag. Want mijn vlees is echt voedsel en mijn bloed is echte drank. Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem.” (Joh 6, 53-56)

Op basis van deze verzen werden de allereerste christenen wel eens als kannibalen bestempeld. Maar terug naar onze wijnstok, want er is nog een derde element dat een belangrijke rol speelt in de metafoor van de wijnstok, namelijk de ranken. De wijnstok is een heel vruchtbare klimplant en de ranken kunnen over de bodem kruipen of omhoog klimmen tegen een stok of muur. Helaas zijn er niet alleen vruchtbare ranken, maar ook onvruchtbare ranken. De vruchtbare ranken worden “gezuiverd” (of gesnoeid in het voorjaar); de onvruchtbare ranken worden “afgesneden” door de wijnbouwer (i.e. God de Vader). Het gesnoeid worden is dus een goede zaak (hoe pijnlijk het ook mag overkomen): “want Jahwe kastijdt die Hij liefheeft, zoals een vader doet met zijn geliefde zoon” (Spr. 3, 12). De druiven moeten “gezuiverd” worden van insecten, parasieten, ziekte,… Als de ranken goede druiven voortbrengen, is de wijnbouwer blij: “Hierdoor wordt mijn Vader verheerlijkt, dat gij rijke vruchten draagt”.

Hoe kunnen we ervoor zorgen dat we niet “afgesneden” worden of hoe kunnen we met andere woorden goede “ranken” vormen? Ten eerste moeten we erkennen dat Jezus de Zoon van God is zodat God in ons woont (zie 1 Joh 4, 15). Ten tweede moeten we Jezus aanvaarden als Redder, als Enige bemiddelaar, teneinde kinderen van God te worden (zie Joh 1, 12 + 1 Tim 2, 5). Ten derde moeten we God gehoorzamen, Zijn geboden onderhouden (zie 1 Joh 3, 24). Ten vierde moeten we blijven geloven in het Evangelie en het verspreiden (1 Joh 2, 24 + Mt 28, 19). Ten vijfde moeten wij van elkaar houden, als broeders en zusters in Christus (Joh 15, 12). Ten zesde moeten wij elkaar helpen met de “gaven” (of talenten) die ieder van ons heeft gekregen (1 Pe 4, 10 + 1 Kor 12). Ten zevende en ten laatste moet onze liefde een bijna goddelijke dimensie hebben: onbaatzuchtig en met de nodige zelfopoffering. Dat laatste puntje is heel moeilijk, maar het komt ook sterk naar voren in de Bergrede. Jezus legt daar uit dat iedereen wel iemand bemint of liefheeft, maar zelfs indien deze liefde wederzijds is, is het niet voldoende volgens Jezus: “als gij bemint die u beminnen” (Mt 5, 46), dat is niets speciaals, dat is normaal. Waar het op aankomt is ook die “slechte”, “onrechtvaardige” medemens te “beminnen”: alleen die volmaakte, goddelijke liefde (agapè) leidt tot eeuwig leven. Tot slot van dit artikel, de gevleugelde woorden van 1 Joh 4, 7-8 (ze lijken gemakkelijk, maar zijn het niet): “Vrienden, laten wij elkander liefhebben, want de liefde komt van God. Iedereen die liefheeft is een kind van God, en kent God. De mens zonder liefde kent God niet, want God is liefde.”

Bernard

Geen feed gevonden