Op het hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid lezen we in het B-jaar het einde van het Matteüs-evangelie “Zending van de apostelen”, ook wel de “grote opdracht” genoemd. Het Matteüs-evangelie staat eerst omdat het de beste overgang vormt tussen het Oude Testament en het Nieuwe Testament. Het contrast tussen het strikte monotheïsme van de eerste lezing (Dt 4, 32-34.39-40) en de 3 laatste verzen van het Matteüs-evangelie is nochtans schril: van “Jahwe is God (…) er is geen ander” (Dt 4, 39 – partim) tot de overbekende trinitaire doopformule “in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest” (Mt 28, 19b). De titel van dit artikel werd geïnspireerd door vers 18: “Mij [Jezus] is alle macht gegeven in de hemel en op aarde”.

F0034b21

(foto: De Heilige Drie-eenheid door Andrei Rublev, Russische middeleeuwse schilder).

Hoe kunnen we deze enorme theologische evolutie verklaren? Het is zo dat christenen het mysterieuze en ingewikkelde dogma van de Heilige Drie-Eenheid nooit ‘verkocht’ krijgen aan Joden of moslims, die de christelijke leer afwimpelen als polytheïsme, hoezeer christenen ook hun best doen om te herhalen dat ze geloven in 1 God die bestaat uit 3 personen. De Koran hakt in op dat getal 3 en stelt met klem (Soera 4, 171):

< zeg niet (dat Allah) "drie" is. Hou (hiermee) op, dat is beter voor jullie. Voorwaar, Allah is de Ene God. >
Op het hoogfeest van de Heilige Drie-eenheid is het wellicht nuttig om de Bijbelse heilsgeschiedenis samen te vatten (voor zover wij Gods wegen zouden kunnen doorgronden – zie Rom. 11, 33).

Iedere gelovige Jood, christen of moslim gaat ervan uit dat de Schepping “heel goed” (Gn 1, 31) was, maar we weten ook allemaal dat het al heel snel mis liep, omdat God geen dictator is: Hij gaf een “gebod” (Gn 2, 16) aan Adam (en Eva), maar zij mochten vrij kiezen; Adam mocht zelfs namen kiezen voor alle dieren en vogels. Na de zondeval en de verdrijving uit de tuin van Eden gaat het van kwaad naar erger met een eerste broedermoord (Gn 4, 8). Toch voorspelt God helemaal in het begin (Gn 3, 15) dat er ooit een afstammeling van Eva het kwaad de kop zou indrukken. Maar eerst moest er nog veel water onder de brug vloeien (letterlijk en figuurlijk): een totale “reset”, de zondvloed; “[God] kreeg spijt dat Hij de mens op de aarde gemaakt had” (Gn 6, 6). Desondanks gaat God een “verbond” (Gn 6, 18) aan met Noach, blijkbaar de enige “rechtschapen man” (Gn 6, 9). Dan lijkt het erop dat God zich neerlegt bij de slechtheid van de mens met dat ongelooflijke vers van Gn 8, 21:
< Nooit meer zal Ik de aardbodem vervloeken vanwege de mensen: het hart van de mens is immers geneigd tot het kwade van jongs af aan. >
Ja, er komt zelfs een nieuw verbond, met als teken de regenboog (Gn 9, 12-13). De Joden spreken van de 7 zogenaamde Noachitische geboden, speciaal bestemd voor niet-Joden: gebod om rechtvaardigheid te betrachten en verbod op godslastering, afgoderij, moord, incest, ontvoering (maagdenroof), het eten van het vlees van een levend dier.
Vervolgens concentreert God Zich op één klein, uitverkoren, volk en op één beloofde land. De “geschiedenis” van Israël begint in Genesis 12 met de roeping van Abra(ha)m. Maar Israël, de nieuwe naam van Jakob, betekent: “gij hebt met God gestreden en met mensen” (Gn 32, 29). Dit wordt op een pijnlijke manier duidelijk in het Boek Rechters, dat steeds hetzelfde schema vertoont: de Israëlieten gaan in de fout, God maakt Zich boos, de Israëlieten smeken om hulp, God stuurt een rechter als redder (12 rechters, met als laatste en bekendste of beruchtste: Simson of Samson). Na de Rechters kent de geschiedenis van Israël 3 grote koningen: Saul, David, Salomo. Uiteindelijk loopt het allemaal slecht af met een rijksscheuring in 931 v. Chr.: Israël in het noorden (tot het noordelijke rijk in 722 v. Chr. in handen viel van de Assyriërs) en Juda in het zuiden (tot aan de verwoesting van de Eerste Tempel en de Babylonische ballingschap in 586 v. Chr.). Dankzij Cyrus de Grote komt er een einde aan de ballingschap en vindt er een terugkeer naar Jeruzalem plaats in 538 v. Chr.

De Hellenistische tijd (333 – 63 v. Chr.) was dan weer verschrikkelijk. De Romeinse overheersing (63 v. Chr. – 135 n. Chr.) kennen we beter omdat het de tijd was waarin Jezus leefde: het was duidelijk een bijzonder moeilijke periode met in 70 n. Chr. de verwoesting van de Tweede Tempel en een algemene Joodse diaspora in 135 n. Chr.
Juda werd Syrië-Palestina: Jeruzalem werd een ‘verboden stad’ voor de Joden.

Heel die tijd had God 3 grote profeten (Jesaja, Jeremia, Ezechiël) en 12 kleine profeten gestuurd: er staan honderden voorspellingen omtrent de Messias-figuur in het Oude Testament. Jeremia (Jr 31, 31) maakte al gewag van “een nieuw verbond”, in het hart gegrift: na alle schriftelijke geboden (tot wel 613 wetten), een Levend Voorbeeld, “de Messias, de Zoon van de levende God” (Mt 16, 16), als laatste poging om de mensheid tot het heil te brengen. Perfecte formulering in Joh 3, 16: “Zozeer immers heeft God de wereld liefgehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat al wie in Hem gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben.”
Voor alle christenen is Jezus de Messias/Christus, “de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde” (Apk 22, 13), Hij die alles voorgeleefd heeft, Hij die “het voorbeeld” heeft “gegeven” (Joh 13, 15) dat wij, als christenen, moeten nadoen, namelijk nederig dienstbetoon.

Tenslotte stuurt Jezus, na Zijn Hemelvaart, de Heilige Geest, de Helper, de Trooster, voor mensen “die niet gezien en toch geloofd hebben” (Joh. 20, 29).
Zo is de cirkel rond en kan het dogma van de Heilige Drie-eenheid benaderd worden: God bestaat uit God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest; deze drie Personen (personae) zijn te onderscheiden maar niet te scheiden. De 3 Personen zijn gelijk qua goddelijk statuut, maar zijn niet aan elkaar gelijk, want ze vervullen verschillende ‘functies’.
Het is niet zomaar dat de zondag van de Heilige Drie-eenheid valt na Pinksteren: zonder de hulp van de Heilige Geest kunnen we deze materie niet begrijpen.

Bernard

Geen feed gevonden