Van de 7 sacramenten is de eucharistie wellicht het belangrijkste, maar ook gevaarlijkste sacrament (althans volgens Paulus).

F0034b22foto: Dirk Bouts, Het Laatste Avondmaal, 1464 (Sint-Pieterskerk Leuven)

Op Sacramentsdag lezen we in het B-jaar stukjes over de “voorbereidselen” van het Paasmaal en over de “instelling eucharistie” (Willibrordvertaling 1975; “laatste avondmaal” in de editie van 1999). Toevallig heeft het Latijnse “sacer” een dubbele betekenis: niet alleen ‘heilig’, maar ook ‘vervloekt’ (denk aan ons woord ‘sakkeren’). Er staan vreemde verzen in de paragraaf “De maaltijd van de Heer” (1 Kor 11, 17-34): Paulus klaagt er de onenigheid, de vraatzucht en de dronkenschap van sommige mensen aan. Destijds brak men het brood ten huize van iemand en dronk men daarbij de nodige wijn. Sinds eeuwen kunnen katholieken uiteraard hun honger niet stillen met een hostie. Die vraatzucht kan dus al geen probleem meer zijn. Helaas vermeldt Paulus nog een ander probleem: het nuttigen van het Avondmaal “op onwaardige wijze”. Paulus vervolgt: “Wij moeten onszelf onderzoeken” vooraleer we ter communie gaan. We moeten, volgens Paulus, het “lichaam onderkennen”, met andere woorden goed begrijpen dat we niet zomaar brood aan het eten zijn. Ik hoop en denk dat dit aspect zeer goed meevalt in de Katholieke Kerk. Ten eerste gelooft de Katholieke Kerk in de transsubstantiatie: na de consecratie verandert de substantie van het brood (de hostie) in de metafysische substantie van het Lichaam van Christus. Ten tweede wordt een geconsacreerde hostie jaarlijks in een monstrans geplaatst om aanbeden te worden. Ten derde lijkt de hostie helemaal niet op het brood dat wij dagelijks eten. Het Latijnse woord ‘hostia’ betekent trouwens ‘slachtoffer’: zo nemen we dus deel aan het Kruisoffer van Christus.

Sommige zwaar gereformeerden voelen zich heel snel ‘onwaardig’ om het Avondmaal te nuttigen en blijven afwezig wanneer het Avondmaal gevierd wordt (vaak om de 2 maanden). De meeste katholieken gaan wekelijks ter communie en maken er niet echt een probleem van. Toch haalt de Katechismus van de Katholieke Kerk (1995, § 1385) het bewuste vers van Paulus ook aan: “Hij die zich van een zware zonde bewust is, moet het sacrament van de verzoening ontvangen voordat hij te communie gaat.”

Er is de laatste tijd al genoeg commotie geweest over het begrip ‘(zware) zonde’, laat ons in dit artikel liever even stilstaan bij het positieve aspect: eucharistie is afgeleid van het Griekse woord ‘eucharistein’ en betekent zoveel als ‘danken’, ‘zegenen’ (ook “eulogein”) en ‘dankbaar zijn’. Bij de instelling van de eucharistie doet Jezus het allebei, helemaal in de lijn van de Joodse traditie: “sprak de zegen uit” (v. 22) en sprak “het dankgebed” uit (v. 23). Laten wij onze Lieve Heer dankbaar zijn voor de instelling van de eucharistie die toch heel wat aangenamer lijkt dan het oude verbond van de eerste lezing (Ex 24, 8), waarbij Mozes bloed sprenkelde over het volk. Heel deze plechtigheid rond het Paaslam wordt in detail verteld in Exodus hoofdstuk 12. Het “ongezuurde” (ongedesemde) brood symboliseert het haastige vertrek uit Egypte; het zout water symboliseert tranen én de doortocht door de Rode Zee; de bittere kruiden herinneren aan de slavernij; de 4 bekers wijn staan voor de 4-voudige belofte van God (Ex 6, 6-7: wegvoeren, bevrijden, verlossen, aannemen).

Voor christenen is het veel eenvoudiger: brood en wijn. Dit alles dankzij het eenmalige zoenoffer van Jezus: “het bloed van zijn Zoon Jezus reinigt ons van elke zonde” (1 Joh 1, 7). Dit gezegd zijnde worden wij wel “geroepen tot liefde voor iedereen” (Missaal pag. 623). “Door hetzelfde brood te ontvangen (…) worden de christenen met elkaar verenigd op de meest intense en intieme manier” (Een kleine katholieke katechismus, 2005, pag. 127). Paulus zegt het zo (1 Kor 10, 17): “Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene brood”.

De mysterieuze zoektocht naar de zaal van het Laatste Avondmaal toont aan dat Jezus niet gestoord wou worden tijdens de instelling van de eucharistie: twee leerlingen zullen “een man tegenkomen die een kruik water draagt” (een merkwaardig detail, want normaal was deze taak voorbehouden aan vrouwen in die tijd), ze moeten hem volgen tot aan het huis waar hij binnengaat en daar vragen aan de eigenaar van het huis waar de bovenzaal is. Deze mysterieuze gastheer moet haast een leerling van Jezus geweest zijn. Men heeft uiteraard alle moeite gedaan om het Cenakel terug te vinden, maar de meningen zijn verdeeld: het zal er allicht niet hebben uitgezien als wat we zien op de taferelen van Da Vinci of Dirk Bouts…

Jezus eindigt de instelling van de eucharistie met een al even mysterieus vers: “Ik zal niet meer drinken van wat de wijnstok voortbrengt tot op de dag waarop Ik het, nieuw, zal drinken in het Koninkrijk van God.”

Zou dit vers willen zeggen dat er geen wijn wordt gedronken in de hemel en dat Jezus pas opnieuw wijn zal drinken bij Zijn Wederkomst?

Bernard

Geen feed gevonden