Johannes was werkzaam in de woestijn en moest de weg voor de Messias recht maken, wat impliceert dat de Joodse leiders de weg krom hadden gemaakt. Johannes de Doper werd gezonden door God om een boodschap over te brengen. De synoptici (Mt, Mc, Lc) typeren hem als een voorloper-wegbereider; Johannes typeert hem eerder als een getuige. In het Griekse woord voor “getuigen” (martureoo) zit echter ook “martelaar worden” vervat: we weten dat Johannes de Doper al snel onthoofd zou worden vanwege zijn getuigenis tegen het “establishment”. En helaas zouden de meeste mensen niet gaan geloven in het Licht; in zekere zin verkozen zij de duisternis. Wat er ook van zij, Johannes de Doper moet getuigen over dat Licht opdat alle mensen (Joden én heidenen) het Licht zouden kunnen zien (letterlijk en figuurlijk). Tijdens de zeer officieel lijkende ondervraging geeft Johannes de Doper duidelijk aan dat hijzelf niet het Licht is, noch de Messias, noch een profeet. Johannes de Doper mocht dan wel lijken op Elia, die men terug verwachtte tegen de eindtijd, maar hij wil niet geïdentificeerd worden als de nieuwe Elia.

Het is duidelijk dat Marcus met de deur in huis valt met zijn evangelie van de actie: geen geboorteverhalen, er wordt zo snel mogelijk overgeschakeld naar het optreden van Johannes de Doper en Jezus Zelf. Er was al 4 eeuwen geen profeet meer geweest en de evangelist Marcus is gehaast om er in te vliegen, nu dat God het heil heeft uitgestrekt tot de heidenen, via Jezus Christus. Marcus wil deze “blijde boodschap” zo snel mogelijk duidelijk maken voor een heidens, mogelijk Romeins, publiek. De Romeinen hielden wel van een heraut die de komst van een belangrijk persoon kwam aankondigen. Die heraut was Johannes de Doper die Lieve Wouters de “noodzakelijke neef” (Kerknet, 2018) noemde. De Joden kenden een proselietendoop als reinigingsceremonie, maar “een doopsel van bekering” was revolutionair nieuw.

Goede vrienden.

Als ‘advent’ staat voor ‘verwachten’ en ‘uitzien naar’, dan weten we in 2020 best waar we samen naar uitzien! Het is lang geleden dat wereldwijd nog zulk een eensgezindheid bestond over de vraag wat ons samen pijn doet of ontbreekt. COVID-19 heeft onze verwachting op scherp gezet. Zolang geen vaccin beschikbaar is voor alle wereldburgers, zal het virus ons blijven achtervolgen. Zonder vaccin zal de mensheid aan het kortste einde blijven trekken, nu eens hier, dan weer daar. In deze noodtoestand helpt het niet naar omhoog te kijken, als kon de redding uit de hemel neerdalen. Neen, alle verstand en verantwoordelijkheidszin die de mensheid van God heeft gekregen, zal zij moeten inzetten om tot een oplossing te komen. Het geloof vervangt de wetenschap niet, ze ondersteunt en motiveert haar.

De eerste christenen keken uit naar een snelle wederkomst van Christus; de meeste eigentijdse christenen kijken er veel minder, misschien zelfs te weinig, naar uit. De Kerk wil “de fakkel van de hoop” (Missaal pag. 2) hoog houden. Dit gezegd zijnde, moeten we niet beginnen gissen naar het tijdstip van Christus’ wederkomst; wel moeten we beseffen dat de Advent niet alleen uitkijkt naar de menswording of geboorte van de Redder, maar ook naar de Wederkomst van diezelfde Redder, als Rechter. Het is belangrijk dat wij hoopvol blijven uitkijken en de bijna laatste woorden van de Bijbel blijven uitroepen: Kom, Heer Jezus!

De parabel van de domme en verstandige bruidsmeisjes had ons al wakker geschud, maar nu blijkt passieve waakzaamheid zelfs niet voldoende. Uit de parabel van “het gebruik van de talenten” (WV 1975) blijkt dat we de genade die we gratis, voor niets, ja zelfs onverdiend, ontvangen hebben, intensief en actief moeten inzetten om vruchten af te werpen met het oog op het Koninkrijk van God. Deze parabel is uiteraard geenszins een pleidooi voor wild kapitalisme.

De laatste evangelielezing van het liturgisch jaar schetst een beeld, als in een parabel, van Jezus’ wederkomst in Zijn Koninklijke heerlijkheid: deze 34ste zondag wordt dan ook Christus Koning genoemd. Overdag lopen schapen en geiten samen, door elkaar, te grazen, maar ‘s avonds zal de koninklijke Herder hen scheiden: de schapen komen aan de goede, rechtse kant te staan en de bokken aan de slechte, linkse kant.

De lezingen van Allerheiligen staan in schril contrast met het Halloween-gebeuren (dat – helaas – steeds meer gevierd wordt in onze contreien): het zijn werkelijk troostliederen. Halloween betekent letterlijk “aan de vooravond van Allerheiligen” en is een dodenherdenking die het accent legt op griezel en bang maken. Het hoogfeest van Allerheiligen benadrukt de nagedachtenis van alle heiligen in de geloofsovertuiging dat die overledenen verder leven in het hiernamaals. De grote menigte die uit de verdrukking komt zingt een loflied voor God en voor het Lam. In de hemel alleen witte gewaden, geen rood van het bloedvergieten, geen zwart van de rouw, alleen wit als teken van hoop.

De parabel van de domme en de verstandige bruidsmeisjes is, zoals alle parabels, een kort verhaal, uit het dagelijkse leven, dat dient om een religieus idee te illustreren. In de tijd van Jezus was het heel normaal dat de bruid en haar bruidsmeisjes zaten te wachten in het ouderlijk huis van de bruid op de bruidegom die vaak veel later dan verwacht kwam, omdat hij wou onderhandelen over de te betalen bruidsschat. In de parabel komt de bruidegom wel erg laat (“midden in de nacht”). Het is hoogst normaal dat alle bruidsmeisjes al in slaap waren gevallen… De uitdrukking “als een dief in de nacht” is afkomstig uit de Bijbel en betekent dat iets vrij plotseling en op een onverwacht moment gebeurt. Het is dus vrij snel duidelijk dat Jezus, met deze parabel, verwijst naar Zijn Wederkomst. In het begin van de tweede eeuw was men vol ongeduld aan het wachten op de Wederkomst (2 Pe 3, 4): “Waar blijft nu de wederkomst die Hij heeft toegezegd? Onze vaderen zijn al gestorven, maar alles blijft zoals het van het begin der schepping geweest is.”

Volgend weekend is er op zaterdag 31 oktober om 16 uur een woorddienst met uitreiking van de communie. De voorganger is gebedsleidster Hilda Coenen.

Op zondag 1 november vieren we het feest van Allerheiligen. De bisschoppelijke conferentie van België heeft gevraagd om op die dag een eucharistieviering te houden ter gedachtenis van de slachtoffers die overleden zijn aan de gevolgen van COVID-19. Deze viering wordt voorgegaan door parochievicaris Jef Smits.

In Mt 22, 37-39 geeft Jezus een geniaal antwoord op de listige vraag naar het voornaamste gebod. De Joden zouden uiteindelijk 613 geboden (248 geboden en 365 verboden) distilleren uit hun Thora: veel Joden zagen door de bomen het bos niet meer. Het is een beetje zoals de coronamaatregelen: ze worden zo vaak bijgesteld en zijn zo complex dat veel burgers het overzicht niet kunnen bewaren. Jezus’ antwoord aan het adres van de wetgeleerde is geniaal te noemen, omdat Jezus niets uitvindt of verzint: Hij combineert de verticale liefde tot God (Dt 6, 5) met de horizontale liefde tot de medemens (Lev. 19, 18b). Dit is geniaal in vele opzichten.

Geen feed gevonden